studietips

 

 

 

Vocabularium

 

»

Leer je vocabularium een eerste keer de avond nadat je het in de klas hebt gezien. Je hebt de woorden ontmoet in tekstverband, ze zitten nog vers in je geheugen en je hoeft ze later voor een toets alleen maar te herhalen.

 

 

»

Als er in de woordenlijst ook niet-frequente woorden staan, duid dan eerst de woorden die je moet kennen aan met een tekentje of zet ze in kleur.

 

 

»

Probeer niet een lijst met tientallen woorden in één keer te leren. Verdeel je werk in blokjes (het aantal woorden bepaal je zelf, maar zeker niet meer dan een bladzijde).

 

 

»

Lees het eerste blokje woorden een keer aandachtig door (eventueel luidop).

 

 

»

Nu ga je studeren. Lees per woord aandachtig het Latijnse woord en memoriseer de vertaling. Overloop de woorden een paar keer terwijl je de vertaling bedekt. Herhaal dit tot je alle vertalingen kent. Breng indien mogelijk de betekenis van Latijnse woorden in verband met woorden in moderne talen (Nederlands, Frans, Engels ...).

 

 

»

Als je de vertalingen onder de knie hebt, concentreer je je op de aanvullingen. Ga daarvoor op dezelfde manier te werk als bij de vertaling (aandachtig lezen, memoriseren, overlopen). Besteed aandacht aan de woordsoort van ieder woord, zodat je al een idee hebt van wat je daarbij als aanvulling moet geven.

 

 

»

Vooral stamtijden leren is moeilijk. Kijk naar de vervoeging waartoe werkwoorden behoren, zodat je al min of meer weet welke soort stamtijden je moet verwachten. De vervoegingen gaan bovendien veel natuurlijker klinken en gemakkelijker in je geheugen blijven als je ze een paar keer luidop opzegt of ze opschrijft.

 

 

»

Afhankelijk van de manier waarop je geheugen functioneert, kun je ook de vertaling en de aanvulling tegelijk leren. Vooral leerlingen met een auditief geheugen (die luidop leren) zullen daar baat bij hebben.

 

 

»

Doe nu hetzelfde met het volgende blokje woorden, tot je de hele lijst hebt afgewerkt.

 

 

»

Als je alle woorden hebt geleerd, schrijf je de Latijnse woorden op een blad papier, maar niet in de volgorde van de woordenlijst. Sla bv. telkens twee woorden over en noteer het derde woord; begin dan terug bovenaan het blad met het eerste woord dat je nog niet hebt genoteerd enz. Je kunt de woorden ook opschrijven in omgekeerde volgorde van de woordenlijst (van onder naar boven).

 

 

»

Test jezelf. Schrijf bij alle genoteerde woorden de aanvulling en de vertaling. Corrigeer en noteer op de achterkant van het blad de woorden die je fout had. Leer die opnieuw tot je ze feilloos kent. Indien nodig herhaal je dit enkele keren.

 

 

»

Als je bij het studeren niet graag veel schrijft, kun je ter controle woorden ook mondeling door iemand laten ondervragen.

 

 

»

Als je de hele lijst hebt gestudeerd en denkt te kennen, laat je die even rusten en herhaal je later nog een keer. Eventueel kun je de volgende ochtend je geheugen nog even opfrissen.

 

 

»

Je kunt tijdens de speeltijd je woorden nog eens herhalen, maar overloop niet een minuut voor de toets nog de hele woordenlijst (gevaar voor verwarring).

 

 

»

Als je wat meer tijd hebt, kun je ook kaartjes maken. Op de voorkant schrijf je het Latijnse woord, op de achterkant de aanvulling en de vertaling. Daarmee kun je jezelf testen door willekeurig een kaartje te nemen, naar het Latijnse woord op de voorkant te kijken en in gedachten of op papier de aanvulling en de vertaling te geven.

 

 

Grammatica

 

»

Als je verbuigingen of vervoegingen moet leren, probeer dan ook eens het verbuigings- of vervoegingstype uit de tabel te vervangen door een ander naamwoord of werkwoord en dat te verbuigen of vervoegen. Zo pas je de theorie meteen toe en weet je of je ze echt begrijpt.

 

 

»

Bij de werkwoorden is het nuttig eerst de vormingsregels te leren, zodat je weet hoe je elke wijs en tijd theoretisch vormt en hoe je die kunt herkennen. Leer vervolgens de vervoeging van esse, want dat heb je nodig als hulpwerkwoord bij bepaalde wijzen en tijden.

 

 

»

Bij de regelmatige werkwoorden leer je eerst de indicatief en de conjunctief, omdat die het best gekend zijn en in een tekst het meest voorkomen. Besteed bijzondere aandacht aan de andere wijzen en tijden, want die zijn minder frequent en vergeet je dus veel sneller.

 

 

»

Onregelmatige werkwoorden zijn regelmatiger dan ze eruitzien. Je bespaart de helft van het werk door de logica erin te ontdekken (bv. posse is eigenlijk een samenstelling van esse, nolle en malle zijn verwant met velle enz.).

 

 

»

Als je een bepaalde grammaticale constructie moeilijk kunt onthouden, is het soms gemakkelijker een eenvoudig voorbeeldje te leren in plaats van de grammaticale theorie.

 

 

Inleidingen

 

 

Inleiding bij een auteur

 

 

»

Verdeel het leven van een Romeinse auteur in verschillende perioden en haal uit elke periode de belangrijkste gebeurtenis (eventueel gelinkt aan een jaartal).

 

 

»

Beschouw het leven van een Romeinse auteur als een verhaal met opeenvolgende gebeurtenissen. Probeer dat verhaal in je eigen woorden na te vertellen.

 

 

»

Bestudeer werk per werk om verwarring te vermijden. Stel je telkens dezelfde drie vragen:

– Wat is de Latijnse titel van het werk en wat betekent die in het Nederlands?

– Uit welke delen bestaat het werk en wat is telkens de inhoud, het thema?

– Zijn er nog speciale opmerkingen rond dit werk (bv. waarom geschreven ...)?

 

 

»

Splits het onderdeel 'waardering' op in een aantal deeltjes:

– Maak een opsomming in puntjes van de kenmerken en stijl van de auteur.

– Wat zijn de invloeden op deze auteur (inspiratiebronnen: bv. andere auteurs)?

– Populariteit en waardering van de auteur tijdens zijn leven en in latere perioden.

– Invloed van de auteur op latere (antieke of moderne) auteurs, kunstenaars ...

 

 

Inleiding bij een tekst

 

 

»

Lees de inleiding bij een tekst aandachtig en probeer daarin een verhaallijn te ontdekken (meestal gaat het om wat er aan de tekst voorafgaat of om een historische situering).

 

 

»

Bouw het verhaal op rond een aantal gemakkelijk te onthouden kernwoorden, waarmee je de hele tekst kunt reconstrueren.

 

 

»

Beeld je het verhaal in en probeer het dan in je eigen woorden na te vertellen.

 

 

Teksten

 

 

De tekst zelf

 

 

»

Voor je een tekst begint te studeren, lees je de vertaling een keer helemaal door. Zo heb je een globaal beeld van de inhoud van de tekst.

 

 

»

Verdeel de Latijnse tekst in stukken (een lange zin, een strofe ...); dat leert heel wat gemakkelijker.

 

 

»

Leer nooit de vertaling zomaar uit het hoofd zonder naar de Latijnse tekst te kijken. Leg de tekst en de vertaling naast elkaar. Probeer ieder element van de vertaling in de Latijnse tekst terug te vinden en vraag je af waarom een woord of zin op die manier is vertaald.

 

 

»

Zoek welke functie ieder woord heeft (werkwoord, onderwerp, lijdend voorwerp ...). Zoek naar de reden van een naamval of een grammaticale verklaring met behulp van de vertaling. Kijk zeker ook naar de woordenlijst. Herhaal de grammaticale opmerkingen uit de les.

 

 

»

Als je dat hebt gedaan, probeer je nu zelf de Latijnse tekst te vertalen (zonder naar het Nederlands te kijken).

 

 

»

Doe hetzelfde met de volgende delen van de tekst. Als je daarmee volledig klaar bent, vertaal je heel de Latijnse tekst opnieuw. Duid met je vinger de woorden aan die je vertaalt; zo krijg je inzicht in de zin (veel belangrijker dan een mooie vertaling).

 

 

»

Los eventuele inhoudelijke en grammaticale vragen bij de tekst opnieuw op.

 

 

De bespreking

 

 

»

Duid de woorden of woordgroepen die zijn besproken aan door ze bv. te onderstrepen. Leer daarbij telkens de inhoudelijke of stilistische bespreking. Als je tijdens de lectuur in de klas al bepaalde zaken hebt aangeduid, gebruik je nu een andere kleur of een markeerstift.

 

 

»

Om jezelf te testen leg je de Latijnse tekst voor je en geef je mondeling (eventueel schriftelijk) de uitleg van de bespreking bij elk onderstreept woord.

 

 

»

Los eventuele besprekingsvragen en -opgaven bij de tekst opnieuw op.

 

 

»

Iets uit het hoofd leren zonder het te begrijpen heeft weinig zin. Om dat te testen kun je aan iemand van je familie of aan een denkbeeldig persoon uitleggen wat je hebt geleerd. Zo weet je meteen of je het zelf allemaal goed verstaat.

 

 

Niet-behandelde tekst

 

»

Lees eerst de situering van de tekst, zodat je al een eerste idee hebt van de inhoud.

 

 

»

Overloop zin per zin de tekst in zijn geheel en probeer je met behulp van het opgegeven en/of gekend vocabularium een globaal beeld te vormen van de inhoud van de tekst.

 

 

»

Probeer de tekst te verdelen in woordgroepen. Zoek welke functie iedere woordgroep en/of ieder woord heeft (werkwoord, onderwerp, lijdend voorwerp ...) op basis van de naamval en/of de vorm.

 

 

»

Als je de tekst niet moet vertalen, maar inhoudsvragen moet beantwoorden, overloop dan eerst alle vragen, omdat die vaak al bepaalde hints bevatten over de inhoud van de tekst en omdat delen van het antwoord soms te vinden zijn in een volgende vraag.

 

 

Notities nemen: tien geboden

 

»

Maak je bij het noteren vaste gewoonten eigen; systematiek rendeert.

 

 

»

Noteren doe je met je oren, niet met je handen.

 

 

»

Gebruik kernwoorden en afkortingen, schrijf niet in volzinnen.

 

 

»

Duid nauwkeurig aan over welk onderdeel je notities neemt (bv. welke tekst).

 

 

»

Schrijf je blad niet eivol; dat is onoverzichtelijk en laat geen ruimte voor bijwerken.

 

 

»

Wacht niet tot de leerkracht zegt 'schrijf op', maar schrijf op wat de leerkracht zegt.

 

 

»

Noteer niet alles, maar alles wat jij niet weet of waarvan je vreest dat je het zult vergeten.

 

 

»

Begrijpen is ook belangrijk; stel vragen als je iets niet snapt.

 

 

»

Zorg ervoor dat je geen onjuiste dingen noteert.

 

 

»

Controleer en corrigeer na de les je notities; het is de beste verwerking van de leerstof.

 

 

(met dank aan leerlingen Jonas Burm, Katrien De Vos, Arno Nollet, Noëmi Van Bogaert, Evy Van Cauteren, Khaël Velders en Bart Verelst voor hun medewerking aan deze studietips)