startpagina | rubriekoverzicht > realia

 

Romeinse maatschappelijke standen

 

 

 

De senatorenstand

 

De senatorenstand (ordo senatorius) was de hoogste klasse van Romeinse burgers, die zich op de sociale ladder net onder de keizerlijke familie bevond. De samenstelling van de senaat gebeurde door de censores, die om de 5 jaar een lijst van senaatsleden (album senatorium) opstelden, bestaande uit allen die een hoger ambt (aedilis, praetor of consul) hadden bekleed. In het algemeen dankten de senatoren hun welstand aan hun grootgrondbezit, terwijl hun invloed ook op hun talrijke clientes was gebaseerd. Om tot de senatorenstand te behoren moest men van een juiste geboorte zijn en was een minimumvermogen van 1 miljoen sestertiën vereist (ter vergelijking: het absolute bestaansminimum bedroeg 100 sestertiën, het jaarinkomen van een legioensoldaat 900 sestertiën). Tevens diende men zich te houden aan bepaalde gedragsregels. Zonen van senatoren werden automatisch in de ordo opgenomen, als zij tenminste voldeden aan de gestelde eisen. De ordo senatorius bestond uit zowat 2 000 leden (de senaat zelf telde er 600).

 

 

De ridderstand

 

De ridderstand (ordo equester) was de tweede klasse van Romeinse burgers. Oorspronkelijk waren equites ruiters in het Romeinse leger, maar later hielden zij zich hoofdzakelijk bezig met handel, financiën, het innen van belastingen enz. Bij deze stand was de afkomst van geen belang, maar drie generaties vrije geboorte en een minimumvermogen van 400 000 sestertiën waren toch noodzakelijk om tot de ridderstand te behoren. Ook ridders dienden zich te houden aan bepaalde gedragsregels. De ordo equester telde vermoedelijk enkele tienduizenden leden.