|
startpagina | rubriekoverzicht
> realia |
De
relatie tussen patronus en cliens
Oorspronkelijk, d.w.z. ten tijde van de republiek, waren clientes (beschermelingen) weinig bemiddelde
maar vrije burgers die in sociaal opzicht afhankelijk waren van een
aanzienlijke en welgestelde patronus
(beschermheer). De relatie tussen beiden berustte op wederzijdse rechten en
plichten.
De clientes
waren volledig geïntegreerd in de gens
(familie) van hun patronus en
namen deel aan de offers en ceremoniën. Zij verrichtten diensten voor hun heer
(bv. hulp op het land) en droegen in bepaalde omstandigheden financieel bij
(bv. de bruidsschat van diens dochter, vrijkoping uit krijgsgevangenschap
enz.). De clientes
vergezelden hun heer wanneer die ten strijde trok. Op politiek vlak steunden
zij hun patronus in de
vergaderingen en tijdens de verkiezingen. Als teken van respect brachten zij
hem 's morgens (kort na zonsopgang) een beleefdheidsbezoek (salutatio).
De patronus
van zijn kant verleende zijn clientes
in alle omstandigheden materiële (bv. voedsel), financiële (geld) en juridische
hulp (rechtsbijstand). Hij moest er ook voor zorgen dat zijn clientes aan de cultusplechtigheden van
zijn gens konden deelnemen.
Het aantal en de afkomst van de clientes
die iemand had, bepaalden het maatschappelijk aanzien en de politieke invloed
van hooggeplaatste Romeinen.
Een bijzonder geval van clientela
deed zich voor bij een vrijgelatene (libertus).
Die werd automatisch cliens
van zijn vroegere eigenaar, die tegenover hem nog bepaalde rechten behield. De
vrijgelatene kreeg zelfs het nomen
gentilicium (familienaam) van zijn voormalige meester en hij bleef
hem dienstbetoon en onderdanigheid verschuldigd. De patronus bleef zijn vrijgelatene vooral op juridisch
gebied bescherming bieden. Indien een vrijgelatene kinderloos of zonder
testament overleed, was zijn patronus
zelfs de erfgenaam.
Door de uitbreiding van Romes macht in de 3de en 2de eeuw
v.C. wijzigde de verhouding tussen patroni
en clientes. Door de talrijke
oorlogen waren vele akkers verwaarloosd of zelfs verwoest en moesten de boeren
om te overleven hun toevlucht zoeken in de steden. Ook arbeiders, die door het
toenemende gebruik van slaven geen werk meer konden vinden, en
oorlogsveteranen, die als beloning voor hun dapperheid wel een stuk land hadden
gekregen, maar niet de ervaring hadden om het te bewerken, vervoegden het
stadsproletariaat. Omdat deze bevolkingsgroep wel stemrecht bezat, was zij een
belangrijk instrument in de carrière van politici. Door voedseluitdelingen en
volksvermaak (de zgn. panem et circenses,
'brood en spelen') probeerden zij zoveel mogelijk clientes aan hun kant te krijgen.