|
startpagina | rubriekoverzicht
> realia |
Het
Romeinse muntsysteem
In de steden van Groot-Griekenland (Zuid-Italië) had men zilveren
munten vanaf de 6de eeuw v.C. In Etrurië (ten noorden van Rome) begon men geld
te gebruiken in de 5de eeuw v.C. Op dat ogenblik bestonden munten in de rest
van Italië uit ruwe stukken brons (aes
rude) van een onregelmatig gewicht en zonder kenteken of waarde.
Het Latijnse woord pecunia
('geld') is afgeleid van pecus
('vee'), waaruit kan worden begrepen dat dieren oorspronkelijk als ruilmiddel
werden gebruikt. Gemunt geld in de vorm van bronzen staven met een vast gewicht
(ca. 1,5 kg) en door de staat officieel gestempeld (vandaar aes signatum) werd in Rome niet vroeger
dan het begin van de 3de eeuw v.C. ingevoerd.
De Romeinse munteenheid was de bronzen as (een samentrekking van aes), waarvan de waarde oorspronkelijk
overeenstemde met een gewicht van 327,45 g brons (een libra of Romeins pond). De as was onderverdeeld in twaalfdelige
breuken, waarvan vijf met afzonderlijke munten: semis (1/2 as),
triens (1/3 as), quadrans
(1/4 as), sextans (1/6 as) en uncia (1/12 as).
Vanaf het einde van de 3de eeuw v.C. sloeg men ook
zilveren munten, waarvan de waarde een veelvoud van de as was: de sestertius (2,5 asses),
de quinarius (5 asses) en de denarius (10 asses). Geldbedragen werden gewoonlijk
uitgedrukt in sestertii. Toen
later de Romeinse munt gedevalueerd werd, gingen er (ondanks de namen) in een sestertius, een quinarius en een denarius resp. 4, 8 en 16 asses.
In de 1ste eeuw v.C. werd er een gouden munt ingevoerd: de
(nummus) aureus ter waarde
van 100 sestertii of 25 denarii. Caesar was de eerste om zijn
eigen hoofd op munten te laten afbeelden. Hij werd daarin gevolgd door de
keizers na hem. Ook de aureus
verminderde in waarde in de loop van de volgende eeuwen.
Men neemt aan dat de theoretische waarde (afgezien van de
koopkracht) van de as in de
laatste eeuwen van de republiek 0,054 goudfrank bedroeg. Zo kan men de volgende
theoretische waarden toekennen aan de Romeinse munten aan het einde van de
republiek:
|
– |
as |
|
= 0,054
goudfrank |
|
– |
sestertius |
= 4 asses |
= 0,216
goudfrank |
|
– |
quinarius |
= 8 asses |
= 0,432
goudfrank |
|
– |
denarius |
= 16 asses |
= 0,864
goudfrank |
|
– |
aureus |
= 25 denarii |
= 21,60
goudfrank |
In België was de goudfrank vroeger gelijkgesteld aan 0,29032258
g fijn goud. De precieze waarde ervan hangt dus af van de prijs van het goud.
Bij benadering heeft de goudfrank in onze huidige munt een waarde van ongeveer
3 euro. De benaderende waarde die je op die manier aan de verschillende munten
kan toekennen, is dan de volgende:
|
– |
as |
= ca.
0,15 euro |
|
– |
sestertius |
= ca.
0,65 euro |
|
– |
quinarius |
= ca.
1,30 euro |
|
– |
denarius |
= ca.
2,60 euro |
|
– |
aureus |
= ca.
64,8 euro |