|
startpagina | rubriekoverzicht
> realia |
De
Romeinse kalender
|
Oorsprong |
De oorspronkelijke Romeinse kalender, die wordt toegeschreven
aan Romulus, was volledig gebaseerd op de landbouw. Het jaar bestond uit 10
onregelmatige maanden (van maart tot december) met een totaal van 304 dagen. In
de winter, wanneer werk op het land onmogelijk was, had men dus een periode van
twee maanden die in de kalender niet werd meegerekend.
Waarschijnlijk onder invloed van de Etrusken werd er
spoedig overgeschakeld op de maankalender. Het jaar bestond voortaan uit 12
maanden (januari en februari werden toegevoegd) met mogelijk af en toe een schrikkelmaand
van 22 of 23 dagen (na februari). Toch bracht ook deze wijziging de kalender
niet helemaal in overeenstemming met het zonnejaar. Het hele kalendersysteem
raakte danig in de knoop, omdat de pontifices
(priesters) zonder enige regelmaat zo nu en dan de kalender aanpasten zoals het
hun het best leek.
In ieder geval bestond een jaar uit 355 dagen. Maart, mei,
juli en oktober telden 31 dagen, februari had er 28, de overige maanden
bestonden uit 29 dagen. Op die manier kwam de kalender noch met de zon noch met
de maan overeen. Tegen de 1ste eeuw v.C. liep het burgerlijke jaar reeds drie
maanden voor op het zonnejaar.
|
Hervorming |
Gaius Julius Caesar stelde als pontifex maximus (opperpriester) orde op zaken en liet in 46
v.C. de kalender hervormen door de Griekse astronoom Sosigenes van Alexandrië.
Om alle fouten uit het verleden te corrigeren telde dat jaar uitzonderlijk 445
dagen. Op 1 januari 45 v.C. voerde hij dan het zonnejaar van 365 dagen in,
verdeeld in 12 maanden met 28, 30 of 31 dagen (het aantal dagen dat ze nu nog
hebben). Eerst verkeerdelijk om de 3 jaar, maar vanaf 8 v.C. om de 4 jaar, was
er een schrikkeljaar: tussen 24 en 25 februari werd er een dies intercalaris (schrikkeldag)
ingevoegd, die werd aangeduid als ante
diem bis sextum Kalendas Martias (vandaar annus bissextus of annus bissextilis voor een
schrikkeljaar).
Toch bevatte ook deze juliaanse kalender nog een kleine
onvolkomenheid. Het juliaanse jaar was immers ca. 11 minuten langer dan het zonnejaar,
waardoor de zon om de 128 jaar ongeveer een dag op de kalender achterliep.
Tegen de 16de eeuw was dat verschil opgelopen tot 10 dagen. Daarom voerde paus
Gregorius XIII in 1582 een laatste correctie door: niet alleen werden er uit
dat jaar 10 dagen weggelaten, maar ook zijn sindsdien alleen de eeuwjaren die
deelbaar zijn door 400 schrikkeljaren. In Groot-Brittannië werd deze
gregoriaanse kalender pas in 1752 ingevoerd, terwijl Griekse en Russische
orthodoxe kerken nog steeds de juliaanse kalender gebruiken.
|
Datering |
De namen van onze maanden zijn afgeleid van de Latijnse
benamingen, die eigenlijk adjectieven waren: (mensis)
Ianuarius, Februarius,
Martius, Aprilis, Maius, Iunius,
Quintilis (later Iulius), Sextilis (later
Augustus), September,
October, November en December. Uit de namen Quintilis
(vijfde maand), Sextilis
(zesde maand) enz. blijkt dat maart oorspronkelijk de eerste maand van het jaar
was. Vanaf 153 v.C. begon het jaar op 1 januari, omdat op die datum de meeste
magistraten hun ambtstermijn aanvatten.
De Romeinen gaven speciale namen aan drie vaste dagen van
hun maanden:
|
– |
Kalendae (afk. Kal.): kalenden, d.i. de 1ste dag van
elke maand; |
|
– |
Nonae (afk. Non.): nonen, d.i. de 5de dag van de maand
(de 7de in maart, mei, juli en oktober); |
|
– |
Idus (afk. Id.): iden, d.i. de 13de dag van de
maand (de 15de in maart, mei, juli en oktober). |
Een datum met een van die drie vaste dagen zette men in de
ablatief: bv. Kalendis Ianuariis
(1 januari), Nonis Decembribus
(5 december), Idibus Martiis
(15 maart). De overige dagen van de maand werden van die drie teruggeteld. De
dag voor de kalenden, nonen en iden werd aangeduid door pridie met de accusatief: bv. pridie Idus Ianuarias (12 januari), pridie Kalendas Februarias (31
januari). De voorafgaande dagen telde men zo terug, dat de dagen van welke en
tot welke men telde, werden meegerekend: bv. (die)
tertio (ante) Idus Ianuarias (11 januari), (die) quarto (ante) Nonas Martias (4
maart). Door omzetting zei men echter, i.p.v. bv. (die) octavo (ante) Kalendas Decembres, gewoonlijk bv. ante diem octavum Kalendas Decembres en
schreef men a. d. VIII Kal. Dec.
(24 november).
Om een Romeinse datum in een moderne om te zetten moet je
|
– |
het getal
in de Latijnse datum aftrekken van het volgnummer van de dag van de nonen of
de iden vermeerderd met één: bv. quinto
Nonas Iulias (7 + 1 – 5 = 3 juli), tertio Idus Octobres (15 + 1 – 3 = 13 oktober); |
|
– |
het getal
in de Latijnse datum aftrekken van het aantal dagen van de voorafgaande maand
vermeerderd met twee, als het om de kalenden gaat: bv. quarto Kalendas Novembres (31 + 2 – 4
= 29 oktober). |
|
Dagindeling |
De burgerlijke dag begon en eindigde om middernacht. De
natuurlijke dag (van zonsopgang tot zonsondergang) was verdeeld in 12 even
lange uren, die langer of korter waren naar gelang van het jaargetijde. Toch
viel het zesde uur altijd op de middag. De nacht was eveneens verdeeld in 12
uren of 4 nachtwaken (vigiliae)
van elk 3 uur. Ook daar kwam het zesde uur of het einde van de tweede nachtwake
overeen met middernacht. Om de tijd aan te duiden gebruikten de Romeinen
zonnewijzers of waterklokken.
|
Jaaraanduiding |
De Romeinse tijdrekening nam als uitgangspunt de stichting
van Rome, die men op grond van legendarische gegevens plaatste in het jaar dat
overeenkomt met 753 v.C. Men rekende dus a.u.c.
(ab urbe condita, 'sinds de
stichting van Rome'), waarbij men rangtelwoorden gebruikte: bv. anno a.u.c. octingentesimo duodecimo
('in het 812de jaar sinds de stichting van Rome', d.w.z. in 59 n.C.).
Vanaf de republiek kon een jaartal ook worden aangegeven met
de asyndetisch verbonden namen van de twee consuls van dat bepaalde jaar in de
losse ablatief: bv. Gaio Vipstano Gaio
Fonteio consulibus ('onder het consulaat van Gaius Vipstanus en
Gaius Fonteius', d.w.z. in 59 n.C.).
Het gebruik van de afkorting A.D. (anno Domini,
'in het jaar onzes Heren') is christelijk en dateert pas uit de 6de eeuw n.C.