|
startpagina | rubriekoverzicht
> mythologie |
Rome (stichtingsverhaal)
Ilia, beter bekend als Rhea Silvia, was de dochter van Numitor,
de koning van Alba Longa, een verre afstammeling van de Trojaanse held Aeneas
en diens zoon Ascanius. Hij werd door zijn jongere broer Amulius van de troon
gestoten en Rhea Silvia werd gedwongen Vestaalse maagd te worden om te
vermijden dat zij kinderen zou krijgen. Zij werd echter bemind door de
oorlogsgod Mars en raakte zwanger. Zijzelf werd door Amulius opgesloten,
terwijl haar pasgeboren zonen Romulus en Remus te vondeling werden gelegd in
een mandje op de Tiber. De tweeling spoelde aan en werd gevonden door een
wolvin (een dier dat aan Mars was gewijd), die hen enige tijd zoogde onder de ficus Ruminalis (een vijgenboom aan de
voet van de Palatijn), totdat zij werden ontdekt door Amulius' herder Faustulus
en opgevoed door diens vrouw Acca Larentia.
Toen de jongens volwassen waren geworden, kwamen zij hun
werkelijke afkomst te weten en herstelden zij hun grootvader Numitor op de
troon van Alba Longa door Amulius te vermoorden. Zij besloten toen op de plaats
waar zij waren aangespoeld een nieuwe nederzetting te stichten. Om te bepalen
naar wie van beiden de nieuwe stad zou worden genoemd, observeerden zij de
vlucht van de vogels, in de hoop daaruit een goddelijk voorteken te kunnen
afleiden. Het pleit werd beslecht in het voordeel van Romulus: hij zag twaalf
gieren, zijn broer slechts zes.
Om het terrein van zijn nieuwe stad af te bakenen begon
Romulus met de bouw van een muurtje. Toen de ontgoochelde Remus zijn broer
belachelijk maakte door over die grens te springen, werd hij door Romulus of
een van diens volgelingen vermoord. Daarop werd Rome gesticht, volgens de
traditie op 21 april 753 v.C. Romulus maakte van zijn nederzetting een
toevluchtsoord voor de verworpenen van de maatschappij: ballingen, weggelopen
slaven, vluchtelingen en misdadigers bevolkten de pas gestichte stad. Om het
gebrek aan vrouwen op te lossen nodigden de Romeinen hun buurvolk, de Sabijnen,
uit voor een religieus feest, maar bij die gelegenheid roofden zij hun vrouwen.
De Sabijnen verklaarden de oorlog aan de Romeinen en belegerden
onder leiding van Titus Tatius het Capitool. Door het verraad van Tarpeia, de
dochter van de bevelhebbende Romeinse officier Spurius Tarpeius, slaagden de
Sabijnen erin een deel van de Romeinse burcht te veroveren, maar door de goden
Janus en Jupiter werd hun een halt toegeroepen. Doordat de Sabijnse vrouwen
zich als een levend schild opwierpen tussen de twee vijandige legers, dwongen
zij hen vrede te sluiten. De Romeinen en de Sabijnen werden verenigd tot één
volk, gezamenlijk bestuurd door Romulus en Titus Tatius (na diens spoedige dood
door Romulus alleen).
Na een regering van 33 of zelfs 40 jaar werd Romulus
tijdens een onweer, dat gepaard ging met een zonsverduistering, op het Marsveld
ten hemel opgenomen en vergoddelijkt, waarna hij werd vereerd als de god
Quirinus.