|
startpagina | rubriekoverzicht
> mythologie |
Dido
Dido (of Elissa) was de dochter van Belus (of Mutto), de
koning van de Fenicische stad Tyrus. Zij was in het huwelijk getreden met haar oom
Sychaeus (of Sicharbas), een priester van Hercules; hij was een van de
voornaamste Fenicische edelen en wellicht de rijkste man van het land. Zij
waren nog niet lang getrouwd en uiterst gelukkig met elkaar, toen haar jongere
broer Pygmalion, die na de dood van hun vader koning van Tyrus was geworden en
op het goud van Sychaeus aasde, deze laatste bij een offer ter ere van de
huisgoden op laffe wijze liet vermoorden. Om de moord geheim te houden liet hij
rondvertellen dat Sychaeus voor een lange reis was vertrokken. Terwijl hij zijn
bezorgde zuster daarmee probeerde te kalmeren, zocht hij intussen naar
Sychaeus' geheime schatkamer.
De schim van de vermoorde Sychaeus verscheen echter aan
Dido, openbaarde haar de gemene daad van haar broer en gaf haar de opdracht het
land te verlaten; tevens wees hij haar de geheime schatkamer aan. Daarop
verzamelde Dido in stilte allen die met haar het schrikbewind van Pygmalion
wilden ontvluchten, scheepte buiten zijn weten in en voer weg met de schat van
Sychaeus op zoek naar een nieuw vaderland. Tijdens die reis liet Dido zakken
zand in zee werpen om haar broer te misleiden, die meende dat er goud in zat.
De vluchtelingen belandden eerst op Cyprus, waar haar gezellen 24 aan Aphrodite
gewijde meisjes roofden en tot hun vrouw maakten.
In Noord-Afrika aangekomen vroeg zij de plaatselijke
bewoners haar een stuk van hun grondgebied te verkopen. Die beloofden haar
zoveel grond als zij met de huid van een rund kon bedekken. Door die in uiterst
fijne reepjes te snijden verwierf zij genoeg grond om er een stad te kunnen
bouwen. Toen men een stad wilde stichten, stootte men bij het graven eerst op
een runderkop, wat gold als een slecht voorteken. Op een andere plaats vond men
een paardenkop, wat wel een gunstig teken was. De bevolking van de nieuwe stad
Carthago groeide snel, doordat er zich nog meer kolonisten kwamen vestigen.
Door haar charme betoverd vroeg de nomadenvorst Jarbas,
koning van de omringende Gaetuliërs, Dido ten huwelijk; hij dreigde met oorlog
indien zij weigerde. Een tweede huwelijk leek Dido een vorm van ontrouw
tegenover Sychaeus, aan wie zij eens en voorgoed haar liefde had beloofd. Omdat
zij Jarbas echter niet durfde afwijzen, vroeg zij hem drie maanden uitstel om
de schim van de overleden Sychaeus te verzoenen. Zij maakte van dit uitstel
gebruik om een reusachtige brandstapel te laten bouwen. Toen de tijd was
verstreken, bracht zij zichzelf daarop met een dolksteek om het leven.
De Romeinse dichter Vergilius werkte dit motief anders
uit. Hij liet Dido verliefd worden op de Trojaanse held Aeneas, die – op de
vlucht na de val van Troje en op zoek naar een nieuw vaderland – na een storm
in Carthago was gestrand. Aanvankelijk verzette Dido zich tegen haar passie,
maar haar zuster Anna gaf haar de raad aan deze liefde toe te geven en zo de
sterke Trojaanse held als bondgenoot tegen Jarbas te winnen. Toen Aeneas haar
echter verliet om zijn goddelijke opdracht – het stichten van een nieuwe stad
in Italië – te vervullen, pleegde Dido zelfmoord. Deze versie van Vergilius
levert wel een chronologisch probleem op, want de val van Troje wordt
traditioneel in 1184 v.C. gesitueerd, terwijl Carthago volgens de overlevering
pas in 814 v.C. werd gesticht. Mythologie en geschiedenis gaan niet altijd
samen ...