|
startpagina | rubriekoverzicht
> literatuur |
Vergilius
|
Leven |
Publius Vergilius Maro werd geboren in het
Noord-Italiaanse plattelandsdorp Andes (Pietole) op 15 oktober 70 v.C. Hij was de
oudste van drie zonen, maar zijn broers stierven op jonge leeftijd. Zijn vader
was een man van heel bescheiden afkomst, maar vrij welgesteld: aanvankelijk
werkte hij als dagloner (pottenbakker of koerier), maar door zijn huwelijk met
een zekere Magia, de dochter van zijn meester (een magistraat), werd hij de
bezitter van een hoeve nabij de Mincio (een zijrivier van de Po) en kon hij
zich opwerken tot zelfstandige landbouwer. Vergilius' kinderjaren op het
Lombardische platteland hebben zijn voorkomen, karakter en literair werk
duidelijk getekend.
Vergilius kreeg een uitmuntende opvoeding,
achtereenvolgens in Cremona, Milaan en Rome, waar hij zich verder bekwaamde in
de welsprekendheid. Hij volgde er de lessen van de beroemde redenaar Marcus Epidius
(die ook Gaius Octavius, de latere keizer Augustus, onder zijn leerlingen
telde). Aanvankelijk wilde hij advocaat worden, maar zijn zwak gestel en
aangeboren schuchterheid maakten hem ongeschikt voor een beroep dat
strijdvaardigheid, zelfzekerheid en spitsvondigheid als onmisbare eigenschappen
vereiste voor succes. Na slechts eenmaal te hebben gepleit, gaf hij het idee
van een politieke carrière op en begaf hij zich naar Napels, waar hij in de ban
raakte van de epicurische wijsgeer Siro. Tot deze studentenperiode zouden
sommige gedichten behoren uit de Appendix Vergiliana, hoewel het zeer
twijfelachtig is of enige ervan authentiek zijn.
Na zijn studies keerde Vergilius naar het vaderlijke erf
terug, waar hij zich in de gepaste atmosfeer kon wijden aan zijn geliefkoosde
bezigheid, de dichtkunst. Slechts enkele jaren kon hij in zijn geboortestreek
blijven, omdat politieke verwikkelingen zijn rustig dagwerk kwamen verstoren.
In 43 v.C. werd nl. het driemanschap gevormd tussen Octavianus, Marcus Antonius
en Marcus Aemilius Lepidus, en het jaar daarop werd het oppositieleger van
Marcus Junius Brutus en Gaius Cassius Longinus, de moordenaars van Caesar,
verslagen bij de Macedonische stad Philippi. De landbouwgronden in de omgeving
van Cremona en Mantua werden toen onteigend om de tienduizenden ontslagen
huursoldaten van Octavianus voor bewezen diensten te vergoeden (41 v.C.).
Ook huis en erf van Vergilius werden bedreigd. Door
bemiddeling van enkele invloedrijke vrienden (Publius Alfenus Varus, Gaius
Asinius Pollio en Gaius Cornelius Gallus, die zetelden in de commissie die de
geconfisceerde gronden moest herverdelen) werd zijn bezit voorlopig gered. Maar
de veteraan die Vergilius' domein aan zijn neus zag voorbijgaan, gaf zich niet
gewonnen. Hij deed Vergilius een proces aan en kwam hem in afwachting van de
rechterlijke beslissing op zijn landgoed intimideren en bedreigen, zodat de
dichter zwemmend over de Mincio op de vlucht moest slaan. Zijn vrienden gaven
hem de raad voorlopig maar toe te geven.
Om Octavianus persoonlijk te verzoeken tussenbeide te
komen en om een definitieve vrijstelling van confiscatie te bekomen vertrok
Vergilius naar Rome. Daar kwam hij terecht bij zijn vroegere leermeester Siro,
van wie hij onderdak kreeg, in afwachting dat een blijvende regeling i.v.m.
zijn bezit werd getroffen. Vergilius keerde echter nooit meer terug naar het
land van zijn jeugd. Wellicht hebben ook andere motieven dan de
klaarblijkelijke afwijzing van zijn verzoek aan Octavianus zijn besluit om in
Rome te blijven beïnvloed: zijn labiele gezondheid, die in het vochtige noorden
eerder verslechterd dan verbeterd was, en de overtuiging dat een belangrijk
cultureel centrum als Rome gunstig was voor de ontwikkeling en uitstraling van
zijn dichterschap.
Rond 43/42 v.C. was Vergilius begonnen aan zijn Bucolica,
die hij ca. 39/38 v.C. publiceerde. Met dit werk trok hij de aandacht van de
invloedrijke politicus en literatuurliefhebber Gaius Maecenas, die hem kon
winnen voor zijn literaire kring (waartoe ook Varius Rufus en Plotius Tucca
behoorden). Vergilius raakte innig bevriend met de dichter Quintus Horatius
Flaccus, die hij op zijn beurt bij Maecenas introduceerde (38 v.C.).
Maecenas, die Vergilius' mentor en vriend was geworden,
schonk hem een huis op de Esquilinus in Rome en een landgoed in de buurt van
Napels (de villa Vergiliana). Zijn verblijf in Rome had weliswaar een
grote invloed op de ontwikkeling van zijn dichterschap, maar toch bleef
Vergilius in wezen de weemoedige en zachtaardige man uit de plattelandsstreek rond
Mantua, heel gevoelig voor alle blijken van vriendschap en een enthousiast
bewonderaar van zijn beschermheer Octavianus. Vergilius huwde nooit.
De rest van zijn leven bracht Vergilius in Rome en vooral
in Napels door. Tussen 36 en 29 v.C. schreef hij er (op aansporing van
Maecenas) zijn Georgica, waarmee hij zijn kunst in dienst stelde van de
hervormingen van keizer Augustus, die de liefde voor de landbouw wilde doen
herleven. Hierop begon hij (daartoe aangezet door Augustus zelf) in 29 v.C. aan
de samenstelling van een nationaal kunstepos, de Aeneis; dat brengt het
verhaal van de lotgevallen van Aeneas, de stamvader van de Romeinen, maar het
verhaalt ook indirect de geschiedenis van het Romeinse volk en vormt bovendien
een lofzang op Augustus.
Vergilius was niet in de gelegenheid zijn Aeneis te
voltooien. Toen het epos na ongeveer tien jaar zijn voltooiing naderde, wilde
de dichter een lange reis naar Griekenland en Klein-Azië ondernemen om het
verhaal van Aeneas' zwerftocht naar de werkelijkheid ter plaatse nauwkeuriger
te formuleren en eventueel te corrigeren. In Athene ontmoette hij Augustus, die
van een veldtocht tegen de Parthen onderweg was naar huis. Tijdens een bezoek
aan Megara (in het gevolg van de keizer) werd hij ziek. Augustus kon de dichter
overhalen om van de verdere reis af te zien en samen met hem naar huis terug te
keren. Tijdens de overtocht naar Italië verergerde de kwaal en kort na zijn
aankomst in de havenstad Brundisium (Brindisi) overleed Vergilius op 20
september 19 v.C.
Het was Vergilius' wens dat zijn Aeneis, waaraan
hij nog een drietal jaar had willen werken, verbrand zou worden, maar in
opdracht van Augustus moest het epos bewaard blijven en werd het uitgegeven
door Vergilius' literaire vrienden Varius Rufus en Plotius Tucca, zoals zij het
manuscript hadden gevonden (afgezien van enkele correcties). De dichter werd
begraven in de buurt van Napels, op de weg naar Puteoli (Pozzuoli), niet ver
van het buitengoed waar hij de laatste jaren van zijn leven meer had verbleven
dan in Rome.
Volgens een aantrekkelijke traditie heeft Vergilius voor
zijn eigen (bescheiden) grafschrift gezorgd: Mantua me genuit, Calabri
rapuere, tenet nunc Parthenope; cecini pascua, rura, duces ('Mantua schonk
mij het leven, Calabrië roofde het weg, thans houdt Napels mij voorgoed vast;
bezongen heb ik weiden, landerijen en legeraanvoerders'). De laatste zinsnede
verwijst naar zijn drie belangrijke dichtwerken: resp. Bucolica, Georgica
en Aeneis.
|
Werken |
|
Appendix Vergiliana ('Vergiliaans aanhangsel') |
Het is een verzameling van korte Latijnse gedichten uit de
tijd van Vergilius. In de late Oudheid werden ze beschouwd als jeugdverzen van
de dichter, maar met relatieve zekerheid kan de authenticiteit van de meeste
gedichten worden verworpen. De bundel omvat: Catalepton ('Kleinigheden';
15 epigrammen, samen 230 verzen), Priapea (3 gedichtjes over de
vruchtbaarheidsgod Priapus, samen 46 verzen), Dirae ('Verwensingen'; 103
hexameters), Lydia (vervolg van het vorige; 80 hexameters), Ciris
('De zeevogel'; 541 hexameters), Culex ('De mug'; 414 hexameters), Copa
('De herbergierster'; 38 verzen in elegische disticha), Moretum ('De
stampkost'; 124 hexameters), Aetna ('De Etna'; didactisch gedicht in 645
hexameters over het ontstaan van vulkaanuitbarstingen) en Elegiae in
Maecenatem (2 'Treurdichten voor Maecenas').
|
Bucolica ('Herderszangen'), later Eclogae ('Uitverkorenen') genoemd |
Geschreven vanaf ca. 43/42 v.C. en gepubliceerd ca. 39/38 v.C.
met de inspirerende steun en op verzoek van Gaius Asinius Pollio, de gouverneur
van Gallia Cisalpina, aan wie ecloge IV is opgedragen. Het is een verzameling
van 10 herdersgedichten (samen 828 hexameters) naar het voorbeeld van de
Griekse dichter Theocritus van Syracuse (1ste helft 3de eeuw v.C.). De oneven
genummerde eclogen zijn geschreven in dialoogvorm, de even nummers zijn
vertellingen voor één spreker.
Vergilius bezingt in dit werk het landelijke leven van
zingende, musicerende, discussiërende en vrijende herders, maar stelt ook
sociale, literaire en politieke problemen aan de orde (weliswaar in bedekte
vorm). De landelijke stemming van de herdersliederen wordt afgewisseld met een
hulde aan Vergilius' beschermers en vrienden (o.a. keizer Augustus, Gaius
Cornelius Gallus, Gaius Asinius Pollio, Varius Rufus). Hoewel schatplichtig aan
Theocritus heeft Vergilius toch een tweevoudige eigen bijdrage aan zijn
voorbeeld toegevoegd: ten eerste speelt het leven van de herders zich af in zijn
geboortestreek (rond Mantua), ten tweede zijn in enkele eclogen ook politieke
en literaire gebeurtenissen en zelfs een paar realia uit zijn eigen leven
verwerkt.
|
Georgica ('Landbouw') |
Geschreven tussen 36 en 29 v.C. in opdracht van keizer Augustus
en opgedragen aan Maecenas. Het is een soort poëtische boerenkalender in 4
boeken (samen 2 188 hexameters). Boek I (514 verzen) is gewijd aan de akkerbouw
en het weer en eindigt emotioneel met een opsomming van de gruwelijke gevolgen
van de moord op Julius Caesar. Boek II (542 verzen) handelt over bos- en
wijnbouw en bevat ook de beroemde lof van Italië en van het landleven. Boek III
(566 verzen) behandelt de veeteelt, gevolgd door een beschrijving van de
veepest in de provincie Noricum. Boek IV (566 verzen) gaat over de bijenteelt
en wordt besloten met de episode van Aristaeus en het verhaal van Orpheus en
Eurydice.
Het werk had in eerste instantie een praktisch doel:
keizer Augustus wilde aan de steeds meer toenemende verwaarlozing van
landerijen en de steeds fataler wordende ontvluchting van het boerenbedrijf een
einde stellen en liet Vergilius daarom een pleidooi houden voor de terugkeer
naar het platteland en de herleving van de landbouw. De dichter baseerde zich
daarvoor in de eerste plaats op eigen waarnemingen in het bedrijf van zijn
vader, maar daarnaast ook op een uitgebreide studie van Griekse en Latijnse
vakliteratuur: Aristoteles (384-322 v.C.), Theophrastus (371-287 v.C.), Aratus
van Soli (ca. 315-240 v.C.), Nicander van Colophon (ca. 130 v.C.), Marcus
Porcius Cato Censorius (234-149 v.C.), Marcus Terentius Varro (116-27 v.C.),
e.a. Zijn belangrijkste inspiratiebronnen (niet zozeer voor de inhoud, maar
vooral voor de geest van dit werk) waren echter Erga kai hêmerai
('Werken en dagen') van Hesiodus (ca. 700 v.C.) en De rerum natura
('Over de natuur') van Titus Lucretius Carus (ca. 98-55 v.C.).
Toch heeft dit leerdicht ook een grote dichterlijke
waarde: de praktische en zelfs nuchter zakelijke voorschriften en raadgevingen
worden op een gelukkige manier afgewisseld met lyrische stukken
(vergelijkingen, beschrijvingen, gebeden, hymnen, mythologische verhalen enz.).
De Engelse Vergilius-vertaler John Dryden (1631-1700) noemde de Georgica the best poem of the best poet.
|
Aeneis
('Gedicht over Aeneas') |
Geschreven tussen 29 en 19 v.C. op uitnodiging van keizer
Augustus. Door de plotse dood van Vergilius is het epos niet afgewerkt (getuige
daarvan een 60-tal halve verzen). Dit monumentaal gedicht (9 896 hexameters)
brengt het verhaal van de legendarische lotgevallen van de Trojaanse prins
Aeneas, de stamvader van de Romeinen, die na de val van Troje door de goden
wordt belast met de stichting van een nieuwe stad in Italië, maar het verhaalt
ook indirect de geschiedenis van het Romeinse volk en vormt bovendien een
lofzang op de prestaties van keizer Augustus (in de persoon van Aeneas).
De Aeneis omvat 12 zangen, uitgewerkt in twee
delen: het eerste deel (zangen I tot VI, geïnspireerd door Homerus' Odyssea)
bevat het verhaal van de jarenlange omzwervingen van Aeneas en zijn gezellen na
hun vlucht uit het brandende Troje, het tweede deel (zangen VII tot XII,
geïnspireerd door Homerus' Ilias) behandelt de strijd ter verovering van
Latium, dat door de goden als nieuwe vaderland werd beloofd. Het hoofdthema
doorheen heel het epos is Aeneas' pietas, d.w.z. zijn trouw en
onderdanigheid aan de wil van de goden.
Vergilius liet zich voor dit werk inspireren door de Argonautica
van Apollonius van Rhodos (ca. 295-215 v.C.), het Bellum Punicum van
Gnaeus Naevius (ca. 270-200 v.C.) en de Annales van Quintus Ennius
(239-169 v.C.), maar vooral door de Ilias en de Odyssea van
Homerus (2de helft 8ste eeuw v.C.). Niettemin is het werk doordrongen van
Romeinse thema's, Romeinse waarden en Romeinse geschiedenis. De Aeneis
is voor velen het absolute meesterwerk uit de Latijnse literatuur.
|
Waardering |
Als kunstenaar heeft Vergilius diverse invloeden
ondergaan, vooral van de archaïsche en klassieke Griekse literatuur. Niet toevallig
hebben zijn drie grote werken een Griekse titel, omdat voor elk een voorganger
uit Hellas model stond. In zijn Bucolica is hij afhankelijk van de
hellenistische bucolische dichter Theocritus; voor zijn Georgica zocht
hij zijn inspiratie o.a. bij de archaïsche leerdichter Hesiodus; in zijn Aeneis
is hij vooral beïnvloed door de dichter der dichters, Homerus. Toch is
Vergilius een van de persoonlijkste dichters aller tijden en ademt zijn werk
een heel andere geest dan dat van zijn voorgangers. Centraal staan bij hem de
liefde voor de natuur, het landleven, het vaderland en de goden. Uit heel zijn
werk treedt zijn warme menselijkheid naar voren.
De compositie van al zijn werken is bijzonder verzorgd.
Zijn meesterschap over het woord, als uiting van de gedachte en als klank, is
geniaal. De dactylische hexameter heeft bij hem een perfectie die in de latere
Latijnse literatuur nooit meer werd geëvenaard. Voor velen bereikt Vergilius in
zijn poëzie de mooiste muziek waartoe het menselijk woord in staat is. Al zijn
werken werden voorafgegaan door een grondige voorstudie en ze kwamen niet
zonder moeite tot stand. Dit mag blijken uit het feit dat Vergilius in een
periode van zowat 25 jaar ongeveer 13 000 hexameters schreef, wat neerkomt op
gemiddeld anderhalve versregel per dag (voor de Bucolica en de Georgica
haalt hij zelfs nog geen gemiddelde van één vers per dag, voor de Aeneis
zijn het er ongeveer tweeënhalf). Vergilius was duidelijk een perfectionist,
die aan zijn verzen bleef vijlen tot ze volmaakt waren (dat verklaart ook
waarom Vergilius zijn nog onafgewerkte Aeneis na zijn dood wilde laten
verbranden).
Reeds tijdens zijn leven was Vergilius bijzonder populair.
Dat vernemen we o.a. van de geschiedschrijver Publius Cornelius Tacitus (ca. 56
- na 117 n.C.), die in zijn Dialogus de oratoribus ('Dialoog over de
redenaars') het volgende schrijft: neque apud divum Augustum gratia caruit
neque apud populum Romanum notitia; testes Augusti epistulae, testis ipse
populus, qui, auditis in theatro Vergilii versibus, surrexit universus et forte
praesentem spectantemque Vergilium veneratus est sic quasi Augustum ('en
het ontbrak hem niet aan gunstbewijzen vanwege de goddelijke Augustus, noch aan
bekendheid bij het Romeinse volk; getuige de brieven van Augustus, getuige het
volk zelf, dat, toen in het theater verzen van Vergilius waren voorgedragen,
als één man rechtstond en op die manier Vergilius, die toevallig onder het
schouwburgpubliek aanwezig was, eerde als was hij Augustus'). Vergilius was
bevriend met de groten der aarde, hetgeen hem een aanzienlijke rijkdom
opleverde (keizer Augustus zou hem zelfs 10 miljoen sestertiën hebben
geschonken).
Reeds in de Oudheid werden Vergilius' werken op school
gelezen in het kader van het onderwijs in grammatica en versbouw, als voorbeeld
voor stijloefeningen, als bron voor onderwerpen in de retorieklessen en
natuurlijk ook als literair werk (samen met de redenaar Marcus Tullius Cicero
was hij de meest gelezen schoolauteur). Er werden verscheidene grammaticale en
zakelijke commentaren op zijn werk samengesteld, o.a. door Aelius Donatus (4de
eeuw n.C.), Marius Servius Honoratus (4de eeuw n.C.) en Tiberius Claudius
Donatus (4de/5de eeuw n.C.). Kritiek, o.a. in de vorm van parodieën (bv. de Saturnalia
van Ambrosius Theodosius Macrobius, ca. 400 n.C.), vond weinig weerklank. Zo
groot was de bewondering voor Vergilius' werken, dat men ze als bron van
hoogste wijsheid ging beschouwen.
Na zijn dood werd Vergilius beschouwd als de onbetwistbare
grootmeester van de Latijnse poëzie en groeide zijn faam tot bijgelovige
verering. In de 1ste eeuw n.C. werd zelfs zijn verjaardag gevierd. De Latijnse
dichter Tiberius Catius Asconius Silius Italicus (ca. 26-102 n.C.) maakte
Vergilius' werken en graf (dat hij liet restaureren) bijna tot voorwerp van een
cultus. Op die manier werd de dichter stilaan beschouwd als een magiër en
werden hem miraculeuze krachten toegeschreven. De sortes Vergilianae
('Vergiliaanse orakels'), pogingen om de toekomst te voorspellen door zijn
boeken te openen en willekeurig een vers eruit te halen, werden reeds vroeg
vrij algemeen beoefend (naar men zegt vanaf keizer Hadrianus, 117-138 n.C.).
Ook bij latere christelijke auteurs, die polemiseerden
tegen het heidendom, bleef Vergilius hoog in aanzien (dit veroorzaakte bij hen
een innerlijk conflict tussen hun bewondering voor zijn poëzie en hun
wantrouwen tegenover zijn paganisme). Om zijn heidense ideeën voor christenen
aanvaardbaar te maken werden zijn werken vaak uitgelegd aan de hand van
allerlei allegorische verklaringen, hetgeen echter veel onzinnigs opleverde.
Het aantal en de hoge kwaliteit van de manuscripten die ons zijn overgeleverd
uit de 3de tot de 5de eeuw n.C. getuigen van de hoge achting die hij toen
genoot. In de Middeleeuwen was Vergilius nog steeds de meest gelezen Latijnse
dichter en bleef zijn bijna goddelijke status gehandhaafd. Die bewondering
inspireerde ook de Italiaanse dichter Dante Alighieri (1265-1321), die in zijn Divina
commedia Vergilius koos tot wijze leidsman op zijn tocht doorheen de hel en
het vagevuur tot aan de poorten van het paradijs. Dante noemde Vergilius
trouwens il nostro maggior poeta
('onze grootste dichter').
Na de uitvinding van de boekdrukkunst (ca. 1450) behoorde
Vergilius' werk bij de eerste die volgens deze nieuwe methode werden verspreid.
In Frankrijk en Duitsland verschenen in die tijd romans in verzen, geïnspireerd
op episoden uit de Aeneis. Zijn werken werden in verschillende talen
vertaald; bekend in dit verband is de complete Vergilius-vertaling (1697) van
de Engelse schrijver John Dryden (1631-1700). Ter gelegenheid van de 1900ste
verjaardag van Vergilius' dood schreef de Engelse dichter Alfred Lord Tennyson
(1809-1892) op verzoek van de Mantuanen in 1882 het gedicht To Virgil, waarin hij de Latijnse
dichter in alle toonaarden bezingt en verheerlijkt. In de moderne tijd bleef
vooral in Italië en Frankrijk de grote bewondering voor Vergilius gehandhaafd,
hoewel de bestudering van Griekse voorbeelden (voornamelijk Homerus en
Theocritus) de waardering een meer reële en gematigde basis gaf.
De invloed van Vergilius op de Europese poëzie is
onmeetbaar en kan nauwelijks overschat worden. Alle latere Latijnse dichters
werden door hem in bijzonder sterke mate beïnvloed. Zijn drie hoofdwerken
stonden model voor de Europese pastorale, didactische en epische dichtkunst
(resp. Bucolica, Georgica en Aeneis). In de
wereldliteratuur zijn ontelbare verwijzingen naar zijn gedichten terug te
vinden. Auteurs uit zowat alle landen en tijdperken vonden bij hem hun
inspiratie. Vergilius heeft historische schommelingen in de waardering en de
dood van zijn genres in de Europese letteren glansrijk overleefd.