startpagina | rubriekoverzicht > literatuur

 

Seneca

 

 

 

Leven

 

Lucius Annaeus Seneca de Jongere, bijgenaamd Philosophus, werd geboren in het Spaanse Corduba (Córdoba) ca. 4 v.C. als tweede zoon van Lucius Annaeus Seneca de Oudere, bijgenaamd Rhetor. Op jeugdige leeftijd ging hij naar Rome, waar hij onderricht genoot in de welsprekendheid en de filosofie. Wat dit laatste betreft, onderging hij grote invloed van de Stoa.

 

Op ongeveer 30-jarige leeftijd vestigde hij zich als advocaat. Spoedig werd hij een gevierd redenaar en vergaarde hij een aanzienlijk vermogen. In 32 n.C. werd hij quaestor en lid van de senaat. In 41 n.C. werd hij echter door keizer Claudius – op aanstoken van diens derde echtgenote Messalina – naar Corsica verbannen, naar verluidt wegens zijn al te vertrouwelijke omgang met Julia Livilla, de zuster van Caligula.

 

In 49 n.C. werd hij uit zijn verbanning teruggeroepen door Agrippina, de vierde echtgenote van Claudius, om te Rome in te staan voor de opvoeding van haar zoon Domitius, de latere keizer Nero. Tijdens de eerste jaren van diens regering had Seneca, samen met de praefectus praetorio Sextus Afranius Burrus, een grote invloed op de keizer, waardoor in de praktijk zij de macht uitoefenden.

 

Maar door het huwelijk van Nero met Poppaea Sabina en door de dood van Burrus (beide in 62 n.C.) werd de invloed van Seneca op Nero steeds kleiner. Daarom trok hij zich terug in de eenzaamheid van Campanië en besteedde al zijn tijd aan de literatuur. Hij probeerde Nero gunstig te stemmen door hem grote delen van zijn fortuin te schenken, maar niettemin werd hij in april 65 n.C. door de keizer gedwongen zelfmoord te plegen, zogezegd vanwege zijn betrokkenheid bij de samenzwering van Gaius Calpurnius Piso.

 

 

Werken

 

Seneca kan men gerust omschrijven als een literaire duizendpoot. Omdat hij echter vooral bekend is als filosoof (zie zijn bijnaam), beginnen we met zijn wijsgerige geschriften. Deze bestaan uit 12 dialogen (De brevitate vitae, De consolatione ad Helviam matrem, De consolatione ad Marciam, De consolatione ad Polybium, De constantia sapientis, De ira, De otio, De providentia, De tranquillitate animi en De vita beata), 2 moraliserende essays (De beneficiis en De clementia) en 124 brieven aan zijn boezemvriend Gaius Lucilius de Jongere (Epistulae morales ad Lucilium).

 

Hierbij aansluitend kunnen we de natuurwetenschappelijke werken van Seneca vermelden, waarvan er verschillende verloren gingen. Alleen de 7 boeken Naturales quaestiones ('Natuuronderzoeken') bleven bewaard. De bedoeling daarvan was om, door de kennis van de fysica, tot een juist godsbegrip te komen. Ook dit werk bevat veel moraliserende uitweidingen.

 

Van Seneca's zuiver literaire werken bleven 9 tragedies bewaard (Agamemnon, Hercules furens, Hercules Oetaeus, Medea, Oedipus, Phaedra, Phoenissae, Thyestes en Troades), die waarschijnlijk werden geschreven tijdens zijn ballingschap op Corsica (41-49 n.C.). Deze tragedies zijn hoofdzakelijk gebaseerd op modellen van de drie grote Griekse tragedieschrijvers (Aeschylus, Euripides en Sophocles), die echter door Seneca heel vrij werden nagevolgd. Typisch voor deze stukken is de voorliefde voor gruwelijke en weerzinwekkende gebeurtenissen, die worden beschreven in een pathetische en geforceerde taal. Op naam van Seneca – maar niet van zijn hand – werd ook nog Octavia overgeleverd, een fabula praetexta (een soort historisch drama) over Nero's verstoting van Claudia Octavia, de dochter van Claudius en Messalina, ten voordele van de beruchte Poppaea Sabina.

 

Min of meer los van bovengenoemde werken schreef Seneca (waarschijnlijk op het einde van 54 n.C.) ook nog de Apocolocyntosis divi Claudii ('De pompoenwording van de goddelijke Claudius'), een satura Menippea (satire geďnspireerd op de Griekse cynische filosoof en auteur Menippus van Gadara, 3de eeuw v.C.) waarin hij op sarcastische wijze de draak steekt met de vergoddelijking van keizer Claudius.