|
startpagina | rubriekoverzicht
> literatuur |
Sallustius
|
Leven |
Gaius Sallustius Crispus werd geboren in de Sabijnse stad Amiternum
(San Vittorino, ca. 90 km ten noordoosten van Rome) in 86 v.C. Hij behoorde tot
een plebejische familie, die betrekkelijk welgesteld was. In zijn prille jeugd
beleefde hij de bewogen jaren van de burgeroorlog tussen Gaius Marius en Lucius
Cornelius Sulla (88-82 v.C.) en het schrikbewind van Sulla (82-79 v.C.). Over
zijn jeugd is heel weinig met zekerheid bekend, al staat het vast dat hij heel
vroeg naar Rome is gegaan en daar zijn studies in de retorica, de filosofie en
de letteren heeft voltooid (o.a. bij de gevierde leraar Lucius Ateius
Philologus). Toen Sallustius 23 jaar was, maakte hij in Rome de spanning mee
ten gevolge van de bekendmaking en de onderdrukking van de samenzwering van
Catilina (63 v.C.).
Zijn politieke overtuiging bracht hem in de volkspartij (populares),
waartoe ook Gaius Julius Caesar behoorde. Hij begon zijn cursus honorum
(politieke loopbaan) in 55/54 v.C. als quaestor (schatbewaarder). In 52
v.C. was hij tribunus plebis (volkstribuun). In dat jaar had het
beroemde proces plaats tegen de bendeleider Titus Annius Milo, wiens
manschappen de volksmenner en bendeleider Publius Clodius Pulcher op 18 januari
hadden gedood. Als partijganger van de vermoorde Clodius hitste Sallustius zijn
omgeving op tegen de dader (Milo) en diens verdediger (de advocaat Marcus
Tullius Cicero). Volgens een andere versie was deze houding eerder het gevolg
van het feit dat hij door Milo was betrapt en afgeranseld tijdens een
overspelige stoeipartij met diens vrouw.
Aan Sallustius wordt een leven vol uitspattingen en
zedeloosheid toegeschreven (waardoor hij zelfs zijn vader vroegtijdig de dood
zou hebben ingejaagd), maar beschuldigingen van de meest schandelijke aard
werden zo overvloedig verspreid in Romeinse politieke kringen, dat veel van de
aantijgingen tegen Sallustius afgedaan mogen worden als boosaardige roddels.
Hoe dan ook, in 50 v.C. liep hij vanwege de (weliswaar partijdige) censor
(zedenrechter) Appius Claudius Pulcher een openbare berisping op en werd hij
uit de senaat gestoten, officieel omwille van zijn losbandig gedrag, maar
waarschijnlijk wegens zijn opruiende houding in de rellen tussen Clodius en
Milo.
Op het ogenblik dat de kloof tussen Caesar en Gnaeus
Pompeius Magnus (resp. behorend tot de populares en de optimates)
onoverbrugbaar werd, begaf Sallustius zich naar het kamp van Caesar in Gallië
(49 v.C.). Deze vertrouwde hem in de burgeroorlog tegen Pompeius enkele
opdrachten als veldheer toe (o.a. in Illyrië en Campanië), maar die vervulde
hij niet altijd met succes (zo zou hij zelfs ternauwernood aan de dood zijn
ontsnapt). Toen Caesar – na de veldslag bij het Thessalische Pharsalus, waar
Pompeius in de zomer van 48 v.C. definitief werd verslagen – de toestand
volledig meester was, kreeg Sallustius zijn aanstelling als quaestor en
werd hij opnieuw in de senaat opgenomen. In 47 v.C. benoemde Caesar hem tot praetor
(rechter) en na de slag bij het Noord-Afrikaanse Thapsus tegen de aanhangers
van Pompeius (46 v.C.) tot proconsul cum imperio (gouverneur met
onbeperkte bevoegdheid) van de provincie Africa Nova (het oostelijk deel van
Numidië, d.i. ongeveer het huidige Noordoost-Algerije en Tunesië).
Ondertussen was Sallustius getrouwd met Terentia, de
eerste vrouw van Cicero, die zich na een huwelijk van dertig jaar van haar had
laten scheiden (winter 47-46 v.C.). Vermits hij de (gelijknamige) kleinzoon van
zijn zuster adopteerde (later een vertrouweling van de keizers Augustus en
Tiberius), had hij waarschijnlijk zelf geen kinderen.
Als gouverneur van zijn Afrikaanse provincie zoog Sallustius
de bevolking zodanig uit en pleegde hij er zulke enorme afpersingen, dat hij
als een schatrijk burger naar Rome kon terugkeren. Op de Quirinalis (een heuvel
in het noorden van de stad) liet hij zich een luxueus paleis bouwen te midden
van weelderige tuinen (de horti Sallustiani, later eigendom van de
keizers Nero, Vespasianus, Nerva en Aurelianus). Sallustius werd wegens die
afpersingen aangeklaagd in een quaestio de repetundis (gerechtelijk
onderzoek i.v.m. terug te vorderen gelden), maar door bemiddeling van Caesar
vrijgesproken (volgens de roddels na betaling van een omkoopsom van 2 miljoen
sestertiën).
Na de moord op zijn beschermer Caesar (15 maart 44 v.C.)
begreep Sallustius dat zijn politieke en militaire rol was uitgespeeld en trok
hij zich terug uit het openbare leven. In de aangename omgeving van zijn domein
wijdde hij zich tot aan zijn dood volledig aan de studie en de
geschiedschrijving. Sallustius overleed te Rome in 35/34 v.C.
|
Werken |
|
Bellum Catilinae ('De oorlog tegen Catilina'), ook Bellum
Catilinarium ('De Catilinarische oorlog'), De coniuratione Catilinae
('Over de samenzwering van Catilina') of Catilina |
De preciese datering is onzeker: het werd in elk geval
geschreven na de dood van Caesar (44 v.C.), waarschijnlijk ca. 42/41 v.C. In
het werk wordt de samenzwering van Catilina onder het consulaat van Cicero (63
v.C.) beschreven. Eerder dan exact de gebeurtenissen ten tijde van de
samenzwering weer te geven, zocht Sallustius scherpzinnig naar de oorzaken van
de revolutionaire beweging, beschreef hij de mentaliteit van de bevolking van
Rome in die tijd en had hij klaarblijkelijk de bedoeling om de verdiensten van
Cicero (die hij als voormalig advocaat van Milo vijandig gezind was) bij de
beteugeling van de samenzwering te minimaliseren. De reden voor zijn keuze van
dit thema is naar eigen zeggen sceleris atque periculi novitate ('de
nieuwheid van de misdaad en van het gevaar'), maar vermoedelijk is er een
onderliggend motief, nl. Caesar en Gaius Antonius Hybrida (de oom van de triumvir
Marcus Antonius) vrijspreken van de verdenking van medeplichtigheid aan de
samenzwering. Als geschreven bronnen had Sallustius de senaatsbesluiten,
Cicero's gepubliceerde redevoeringen en verslagen van Cicero's consulaat;
daarnaast putte hij uit zijn persoonlijke herinnering aan de gebeurtenissen en
uit getuigenissen van zijn tijdgenoten. Desondanks is het werk onnauwkeurig in
veel details, in het bijzonder in de datering van het begin van de samenzwering
(64 i.p.v. 63 v.C.), wat een verlenging van de gebeurtenissen met zich
meebrengt van een paar maanden tot meer dan een jaar en wat ook een vervorming
van de feiten veroorzaakt; de bedoeling daarvan is om het verhaal interessant
en levendig te maken.
|
Bellum Iugurthinum ('De oorlog tegen Jugurtha') of De bello Iugurthino
('Over de oorlog tegen Jugurtha') |
Gepubliceerd ca. 41/40 v.C. In dit werk schetst Sallustius
het verloop van de oorlog tussen Rome en de Numidische koning Jugurtha, die vanaf
112 v.C. door verschillende Romeinse legeraanvoerders (o.a. Quintus Caecilius
Metellus) zonder succes werd bestreden (volgens Sallustius omdat hij hen
omkocht), totdat Gaius Marius hem gevangennam en hij in 104 v.C. werd
terechtgesteld. Historisch is het werk wellicht aanvechtbaar: niet alleen wordt
de chronologie in grote mate genegeerd en worden de feiten gedateerd in vage
bewoordingen, maar Sallustius waagt zich zelfs aan veranderingen in de
opeenvolging van de gebeurtenissen om op die manier een beter afgerond verhaal
te creëren. Op literair vlak is het echter een meesterwerk.
|
Historiae ('Geschiedenissen') |
Begonnen in 39 v.C. Hierin behandelt Sallustius in 5
boeken de Romeinse geschiedenis vanaf de dood van Sulla in 78 v.C. tot in het jaar
67 v.C. Het werk ging grotendeels verloren; slechts vier korte redevoeringen,
twee brieven en enkele losse fragmenten zijn bewaard gebleven. Historiografisch
is dit zijn beste werk.
|
Ad Caesarem senem de re publica oratio ('Redevoering tot de oude Caesar
over het staatsbestuur') en Ad Caesarem senem de re publica epistula
('Brief aan de oude Caesar over het staatsbestuur') |
Deze twee suasoriae ('pleidooien, betogen') van
onzekere datering (misschien resp. 46 v.C. en 50/49 v.C.) bevatten raadgevingen
aan het adres van Caesar over de politieke en morele hervorming of herstelling
van de staat. De authenticiteit van beide geschriften is omstreden.
|
Invectiva in Ciceronem ('Smaadrede tegen Cicero') |
Aanvalspamflet tegen Cicero, waarin de grote redenaar als
mens en als politicus door het slijk wordt gehaald. Volgens sommige geleerden
is dit werkje ongetwijfeld niet van Sallustius' hand, maar dateert het uit de
1ste eeuw n.C. Anderen menen dat het gaat om een politiek pamflet dat door
Sallustius anoniem werd gepubliceerd en verspreid (als wraak omdat Cicero de
verdediging van Milo op zich had genomen).
|
Waardering |
Ongetwijfeld heeft Sallustius belangrijke vernieuwingen gebracht
in de Romeinse geschiedschrijving. Terwijl die tot dan toe beperkt was tot het
chronologisch opsommen, jaar na jaar, van de feiten (annalistische
geschiedschrijving), geldt Sallustius als de schepper van de historische
monografie (waarin slechts één onderwerp wordt uitgewerkt). Daarbij zoekt hij
de oorzaken van de historische gebeurtenissen niet meer uitsluitend in de
feiten die chronologisch voorafgaan, maar ook en vooral in de ziel van de
personages. De toon van zijn monografieën is heel moraliserend (een aspect dat
zijn tijdgenoten hem erg kwalijk namen wegens zijn eigen afkeurenswaardige
verleden). Hij was vooral gefascineerd door de oorzaken van Romes verval, die
hij zocht in de zedelijke achteruitgang van de oude Romeinse adel. De politieke
gedachten van Sallustius zijn niet diepgaand: hij legt de nadruk op de
traditionele virtus ('deugdzaamheid') en heeft een pessimistische
houding tegenover de eigentijdse corruptie.
Sallustius' werk vertoont wel een aantal zwakke punten. Zo
is de chronologie soms nogal vaag of zelfs onnauwkeurig (bv. bij de vermelding
van data). Op politiek vlak is Sallustius partijdig en bevooroordeeld: in zijn
werk verdedigt hij de politiek van de populares (vooral Caesar) tegen
die van de optimates, ook al is hij niet blind voor de tekorten en
fouten van de eigen partij en voor de verdiensten van zijn politieke
tegenstanders. Zijn grootste zwakte als historicus is wellicht dat hij in de
eerste plaats een kunstwerk wil scheppen, zodat de geschiedkundige waarheid
soms moet wijken. Met dat doel schrijft hij een dramatisch verhaal, dat wordt
verlevendigd door allerhande inlassingen en uitweidingen, zoals redevoeringen,
brieven, karakterstudies (o.a. van Catilina) enz.
Op historisch vlak mag Sallustius dan al enkele
tekortkomingen vertonen, zijn taal en stijl heeft men altijd wel bewonderd.
Zijn grote voorbeelden op dat vlak waren de Griekse geschiedschrijver
Thucydides (ca. 460-400 v.C.) en Marcus Porcius Cato de Oudere (234-149 v.C.).
Zijn stijl valt op door korte en krachtige zinnen met veel afwisseling,
wellicht een reactie op de afgeronde periodebouw van Cicero. De auteur streeft
naar waardigheid en tracht zijn taal een ietwat archaïsch karakter te geven
door het gebruik van oude woorden en klanken. Ten slotte komen allerhande
stijlfiguren (o.a. alliteratie, asyndeton, chiasme, parallellisme) heel
frequent voor.
Sallustius had in de Oudheid een heel goede reputatie
(vooral op basis van zijn Historiae). Hij werd weliswaar bekritiseerd
door bv. de historici Gaius Asinius Pollio (76 v.C. - 4 n.C.) en Titus Livius
(59 v.C. - 17 n.C.), maar zijn bewonderaars en navolgers waren veel talrijker
dan zijn critici. De geschiedschrijver Publius Cornelius Tacitus (ca. 56 - na
117 n.C.) en de kerkvader Aurelius Augustinus (354-430 n.C.) prijzen hem
uitdrukkelijk omwille van zijn talent. In de 2de eeuw n.C. werd het werk van
Sallustius vertaald (in het Grieks) en becommentarieerd. De invloed van zijn
stijl is terug te vinden bij diverse latere auteurs en ging verder tot in de
Middeleeuwen.