startpagina | rubriekoverzicht > literatuur

 

Ovidius

 

 

 

Leven

 

Publius Ovidius Naso werd geboren te Sulmo (Sulmona, ca. 120 km ten oosten van Rome, in een vallei van de Abruzzen) op 20 maart 43 v.C. Hij stamde uit een oude en gegoede familie van de ridderstand en had een broer, die precies één jaar ouder was dan hijzelf (gestorven 24 v.C.). Omdat zijn vader wenste dat hij advocaat werd, studeerde hij reeds vroeg letterkunde, welsprekendheid en recht in Rome, waar hij een schitterend student was bij bekende retoren (Arellius Fuscus en Marcus Porcius Latro) en blijk gaf van een buitengewoon geheugen. Om zich verder te vervolmaken, reisde hij naar Athene (waar hij filosofie studeerde), Klein-Azië en Sicilië.

 

Na zijn terugkeer in Rome bekleedde hij enkele lagere rechterlijke ambten en was hij advocaat, hoewel hij zich allerminst aangetrokken voelde tot de advocatuur. Tot groot ongenoegen van zijn vader lag zijn hart veeleer bij de dichtkunst. Dat was trouwens reeds vroeg het geval: heel jong al had hij blijk gegeven van veel dichterstalent (men vertelde zelfs dat hij in verzen sprak). Op 18-jarige leeftijd maakte hij zijn literair debuut. Met zijn lichtvoetige werken werd hij de geliefde dichter van de mondaine kringen en kwam hij in contact met grote dichters als Publius Vergilius Maro, Quintus Horatius Flaccus, Albius Tibullus en Sextus Propertius.

 

Waarschijnlijk na de dood van zijn vader gaf Ovidius zijn advocatenpraktijk op, verliet de politiek en zijn administratieve loopbaan (nog voor hij lid van de senaat zou worden) en wijdde zich volledig aan de dichtkunst. Hij kreeg de bescherming van de befaamde generaal, staatsman en redenaar Marcus Valerius Messalla Corvinus, wiens huis het centrum was van een literaire kring, waarin de dichter Albius Tibullus de belangrijkste plaats innam. De dichters uit deze kring waren er niet om bekommerd de literatuur nuttig te maken voor dynastische, nationale of sociale doeleinden, maar de keuze van hun onderwerpen was afhankelijk van hun eigen voorkeur en van de voorliefde van het publiek (in tegenstelling met de kring rond Gaius Maecenas).

 

Ovidius beleefde een aantal gelukkige jaren. Vrij van alle materiële zorgen kon hij zich wijden aan zijn geliefde bezigheid, de poëzie. Te Rome woonde hij in een prachtig huis aan de voet van het Capitool en even buiten Rome bezat hij een landgoed, waar hij een groot deel van zijn werk schreef. Daar ontving hij ook de vele invloedrijke vrienden die hij als een gevierd burger en literator in letterkundige en andere kringen had. Met volle teugen genoot hij van zijn goedgevulde dagen vol afwisseling, zoals hij dat steeds had gewenst. Ovidius was op dat moment een van de meest geprezen en bewonderde dichters van zijn tijd.

 

Aan dat geluk kwam heel onverwacht een einde. In het najaar van 8 n.C. werd Ovidius door keizer Augustus verbannen naar Tomis (Constantsa in Roemenië, aan de westkust van de Zwarte Zee). Het ging meer bepaald om een relegatio, d.w.z. een verwijdering uit Rome met het bevel zich in de opgelegde verblijfplaats te vestigen, maar met behoud van bezittingen en burgerrechten (dus niet zo streng als een exsilium). Toch was dit een buitengewone straf: nooit werd een Romein zo ver verbannen en naar zulk een ongenadig oord. Aanvankelijk dacht Ovidius aan zelfmoord, maar een vriend kon hem doen geloven dat de sanctie eenmaal gemilderd zou worden. In de winter van 8 n.C. vertrok hij alleen, want hij wenste dat zijn vrouw en dochter in Rome zouden blijven om zijn bezittingen verder te beheren. Na een langzame en vermoeiende reis over zee en land kwam hij in Tomis aan in de lente of de zomer van 9 n.C.

 

Tomis lag in een uiterst onherbergzaam gebied, in de voorstelling van Ovidius een uithoek van de wereld. Het landschap was vlak en nagenoeg onbegroeid en het klimaat allesbehalve aangenaam: heel de winter lag er sneeuw, stak er een bijtende wind en heerste er extreme koude, waarbij de temperatuur tot ver onder het vriespunt kon dalen (zodanig dat de Donau en de zee soms gedurende drie maanden dichtgevroren waren). Bovendien werd het gebied bewoond door de ruwe en barbaarse Geten en regelmatig geteisterd door aanvallen van vijandige buurvolkeren. Toch kon Ovidius zich verzoenen met de plaatselijke bewoners, die tegenover hem vriendelijk en bezorgd waren en erin slaagden zijn waardering en achting te winnen. Ovidius leerde zelfs de taal van de lokale bevolking (een soort verbasterd Grieks) en schreef er ook gedichten in. Deze verwijdering van Rome leidde er naar eigen zeggen toe dat hij zelfs zijn moedertaal begon te vergeten.

 

De reden van deze verbanning naar Tomis is nooit volledig opgehelderd. Er bestaan verschillende verklaringen, maar geen enkele hypothese is volkomen bevredigend. Bij gebrek aan ander materiaal zijn we hiervoor aangewezen op wat Ovidius zelf zegt in de werken die tijdens zijn verbanning tot stand kwamen. Daarin geeft hij verscheidene aanduidingen en zinspelingen op de fouten die hij toegeeft te hebben begaan, maar hij blijft steeds heel vaag. In zijn pleidooi tot Augustus is er sprake van duo crimina ('twee beschuldigingen'), nl. carmen et error ('een gedicht en een vergissing').

 

Het bedoelde carmen is hoogstwaarschijnlijk de Ars amatoria, het gedicht dat bij Augustus absoluut niet in de smaak viel en een blijvende afkeer tegenover Ovidius heeft veroorzaakt. De keizer had immers als curator morum in 18 v.C. een reeks wetten uitgevaardigd om de zedenverwildering en luxueuze uitspattingen tegen te gaan. De klacht van Augustus zou zijn dat het gedicht een negatieve invloed had op de publieke moraal en zou aanzetten tot overspel. De Ars amatoria werd bij zijn verbanning dan ook verwijderd uit de openbare bibliotheken van Rome. Dit gedicht is nochtans niet meer immoreel dan andere erotische werken zoals die van Tibullus of Propertius, maar is wel expliciet didactisch; vooral dit aspect, niet de erotische inhoud op zich, zal Augustus boos hebben gemaakt. Anderzijds lijkt verbanning, alleen op grond van dat ene boek, een te extreme straf. Het gedicht was trouwens reeds acht jaar oud en er is geen enkele aanwijzing dat Ovidius zich in die periode het ongenoegen van Augustus op de hals had gehaald.

 

De tweede en ware oorzaak voor de verbanning, de error, is niet met zekerheid te bepalen. Ovidius benadrukt dat het niet ging om een scelus of facinus ('misdaad'). Volgens sommigen zou de dichter onvrijwillig betrokken zijn geweest in een of ander schandaal waarin nauwe verwanten van Augustus een rol speelden en waardoor het keizerlijk hof in opspraak werd gebracht. Soms wordt verondersteld dat Ovidius een van de vele minnaars is geweest van Augustus' dochter Julia, die omwille van haar zedeloos gedrag in 2 v.C. werd verbannen, maar in dat geval zou hij pas tien jaar na de feiten gestraft zijn. Misschien was Ovidius op de hoogte van de losbandige levenswandel en de overspelige relaties van Augustus' kleindochter Julia, die net als hij in 8 n.C. werd verbannen, maar ook hierover bestaat niet de minste zekerheid. Hoe dan ook zou deze error aan de keizer de gelegenheid hebben gegeven om wraak te nemen voor het succes van de Ars amatoria.

 

Ovidius is driemaal getrouwd geweest. Hij had (waarschijnlijk bij zijn tweede vrouw) één dochter, die hem twee kleinzoons schonk. Na twee mislukte huwelijken en echtscheidingen trouwde hij met een weduwe uit een patricisch geslacht, die heel goed bevriend was met Atia de Jongere, de tante van Augustus. Met haar lijkt hij een gelukkig huwelijksleven te hebben gekend, omdat hij steeds op haar toewijding en trouw heeft kunnen rekenen (zelfs tijdens zijn ballingschap).

 

Ondanks de talrijke brieven aan zijn invloedrijke vrienden en zijn eigen herhaaldelijke vleierijen en zelfs smeekbeden aan het adres van de keizer – eerst Augustus en na diens dood (14 n.C.) Tiberius – bleef voor Ovidius het verlossende antwoord uit. Verteerd door heimwee naar Rome, ver van zijn familie en vroegere vrienden, na een ballingschap van ruim negen jaar, overleed Ovidius in 17 n.C. in zijn ballingsoord Tomis, waar hij ook werd begraven.

 

 

Werken

 

Amores ('Liefdes')

 

Dit werk bevat 50 elegieën, begonnen ca. 25 v.C. en opgedragen aan een zekere Corinna. De eerste editie in 5 boeken (ca. 20 v.C.) is verloren gegaan. We bezitten de tweede uitgave in 3 boeken (resp. 15, 19 en 15 gedichten, samen 2 456 verzen in elegische disticha), gepubliceerd ca. 1 v.C. De meeste gedichten zijn studies of schetsen van de (verfijnde) liefde in verschillende stemmingen, uitgebeeld in de stad Rome binnen een klasse met veel vrije tijd die op zoek is naar vertier. De gedichten zijn gepolijst, gekunsteld en vermakelijk, het product van geestigheid eerder dan van passie. Corinna speelt er een prominente rol in, maar het is twijfelachtig of zij echt heeft bestaan. Ze bevatten interessante illustraties van Ovidius' eigentijdse leven.

 

Heroides ('Heldinnen') of Heroidum epistulae ('Brieven van heldinnen')

 

Een verzameling van 21 fictieve liefdesbrieven (samen ca. 4 000 verzen in elegische disticha), geschreven door legendarische vrouwen uit de Griekse of Romeinse mythologie aan hun afwezige echtgenoten of minnaars (bv. Penelope aan Odysseus, Dido aan Aeneas), soms vergezeld van het antwoord van hun geliefde. In de eerste groep brieven (1-15) worden de mannen door hun vrouwen geadresseerd; deze werden gepubliceerd naar het einde van de 1ste eeuw v.C. De brieven 16-21 zijn geschreven in paren, waarbij de vrouwen antwoorden op de brief van de man; deze werden uitgegeven in het begin van de 1ste eeuw n.C. De brieven van de heldinnen zijn studies van de liefde vanuit het standpunt van de vrouw, misschien gebaseerd op observatie, maar ook op retorische training in karaktertekening. De gevoelens en het moreel standpunt zijn die van het toenmalige Rome.

 

Medicamina faciei femineae ('Schoonheidsmiddelen voor het vrouwelijk gelaat')

 

Gedicht met recepten voor gelaatsverzorging, waarvan slechts de eerste 100 verzen (in elegische disticha) werden bewaard. Het werk werd geschreven voor 1 v.C.

 

Ars amatoria ('Liefdeskunst')

 

Pseudo-didactisch gedicht in 3 boeken (samen 2 328 verzen in elegische disticha) over de kunst van het verleiden, geschreven voor een gecultiveerd en plezierminnend publiek, voor wie liefde een spel is. Het werk had het karakter van een leerdicht, maar met een ironische en licht parodiërende ondertoon. De eerste twee boeken, met instructies voor de mannen, werden gepubliceerd ca. 1 v.C. Het derde boek, met instructies voor de vrouwen en tips om mannen te verleiden, werd later toegevoegd. Het werk verzamelt en systematiseert de erotische voorschriften die geleidelijk waren ontwikkeld (grotendeels onder Griekse invloed) door de Romeinse dichters (vooral Gallus, Tibullus, Propertius en Ovidius zelf). Door het expliciete onderricht in de liefde werd Ovidius bekend als een belangrijke erotische expert (praeceptor amoris). Het werk biedt ook een intrigerende kijk op de Romeinse levenswijze. Het gedicht was heel populair; citaten eruit werden teruggevonden op de muren van Pompeï. Door zijn frivole houding tegenover de seksuele moraal was het een van de oorzaken van Ovidius' verbanning.

 

Remedia amoris ('Geneesmiddelen tegen de liefde')

 

Pseudo-didactisch gedicht (814 verzen in elegische disticha), uitgegeven ca. 1 n.C. Het werk beweert instructies te geven om een ongelukkige of misplaatste liefde te boven te komen door jacht, reizen, landbouw, onthouding van wijn, vermijden van minnezangers en andere minder onschadelijke voorschriften. Op die manier is het een soort palinodie (herroeping) van de Ars amatoria.

 

Metamorphoses ('Gedaanteverwisselingen')

 

Verzameling van ca. 250 gedichten in 15 boeken, met zijn 11 995 verzen het omvangrijkste dichtwerk van de Latijnse literatuur. Het is een bont gevarieerde reeks verhalen uit de Griekse en oosterse mythologie in een epische vorm, opgevat als een wereldgeschiedenis van de gedaanteverwisselingen en veranderingen in hun chronologische volgorde: het werk begint vanaf de transformatie van de chaos in de geordende kosmos, wordt gevolgd door verhalen over goden en helden uit de mythologie, gaat verder met de gebeurtenissen van al dan niet vermeend historische figuren en eindigt in Ovidius' eigen tijd met de dood en vergoddelijking van Caesar in de zonnegod Helius. Alle belangrijke thema's uit de literaire geschiedenis van Homerus, Hesiodus, Pindarus, de tragedieschrijvers en de Latijnse dichters worden erin behandeld. Ovidius begon aan dit werk ca. 2 n.C. en voltooide het in 8 n.C. Omdat het op het moment van zijn verbanning nog niet was nagezien, verbrandde hij het manuscript, maar gelukkig hadden zijn vrienden reeds kopieën ervan in hun bezit. Dit monumentale epos is zowat de belangrijkste bron voor onze kennis van de klassieke mythologie.

 

Fasti ('Kalender')

 

Poëtische kalender in 6 boeken (samen 4 972 verzen in elegische disticha) die het ontstaan en de betekenis van Romeinse feesten verklaart. Dit gebeurt niet zelden vanuit de oude sagen, die ten grondslag lagen aan de feestelijke (religieuze en burgerlijke) gebruiken van het kalenderjaar. Per dag vermeldt Ovidius de hemelverschijnselen (niet altijd zonder fouten) en de feesten, waarvan hij tevens de oorsprong verhaalt en de ceremoniën beschrijft. Het is een kostbare bron voor de archeologie en de cultuurgeschiedenis, maar de poëtische waarde is eerder middelmatig. Ovidius begon in 2 n.C. met het schrijven van zijn jaaroverzicht. Toen hij in 8 n.C. werd verbannen, waren slechts de eerste zes maanden van het jaar (januari tot juni) voltooid; het werk is onvolledig gebleven (wel gedeeltelijk herzien in Tomis).

 

Tristia ('Treurbrieven')

 

Elegieën in 5 boeken (samen 3 532 verzen in elegische disticha), geschreven tussen 8 en 12 n.C. De meeste gedichten zijn in de vorm van brieven aan zijn vrouw en aan vrienden om ervoor te zorgen dat hij in Rome niet werd vergeten. Onrechtstreeks waren ze ook gericht tot Augustus, die hij herhaaldelijk smeekte om de gunst van de terugroeping of ten minste de verplaatsing naar een minder bar oord of dichter bij Italië. Waarschijnlijk werden zijn brieven een voor een naar Rome verstuurd en vervolgens verzameld om te worden uitgegeven. Reeds bij het schrijven had hij het idee om ze te bundelen en te publiceren. Boek I werd geschreven tijdens de ballingsreis (winter 8-9 n.C.) en dadelijk naar Rome gezonden, hetgeen onmiddellijk het bewijs bracht dat ook de balling dichter zou blijven. In boek II, geschreven in Tomis niet lang na zijn aankomst (9 n.C.), wendt Ovidius zich tot Augustus om de aantijging tegen een van zijn werken te ontzenuwen en verbetering te vragen van zijn lot. Boeken III, IV en V (geschreven in resp. 9-10, 10-11 en 11-12 n.C.) handelen over het leven in Tomis. Behalve waar het gaat om zijn echtgenote of om Augustus, laat de dichter in al die boeken de persoon van zijn bestemmeling vrij onbepaald: hij achtte het voorlopig voorzichtiger geen namen te noemen en wellicht verlangde elke bestemmeling het eveneens zo.

 

Epistulae ex Ponto ('Brieven van de Zwarte Zee')

 

Elegische gedichten in 4 boeken (samen 3 194 verzen in elegische disticha), geschreven in de laatste jaren van Ovidius' verbanning in Tomis. De eerste drie boeken werden geschreven en gepubliceerd in 12-13 n.C. Boek IV schreef Ovidius tussen 13 en 16 n.C. en verscheen waarschijnlijk postuum. Net als in zijn Tristia beschrijft hij in deze brieven het harde leven en de fysieke en morele pijnen die hij te verduren heeft en pleit hij voor een verzachting van zijn straf. Stof en toon blijven in de aard van de vorige boeken, maar voortaan worden de toegesproken personen bij hun naam genoemd (op enkele uitzonderingen na).

 

Ibis

 

Satirisch gedicht (642 verzen in elegische disticha), geschreven ca. 10/11 n.C. Het is gericht tegen een vijand van Ovidius of iemand die hem in de steek had gelaten en zijn vertrouwen had geschonden. Hij citeert er talrijke voorbeelden van tegenslagen.

 

Medea

 

Tragedie waarvan slechts 2 verzen werden bewaard. Ze werd geprezen door de redenaar Quintilianus en door de geschiedschrijver Tacitus.

 

 

Waardering

 

Ovidius was een kind van zijn tijd, een tijd waarin voorspoed en optimisme regeerden en het fenomeen oorlog beperkt bleef tot de verafgelegen grenzen van het wereldrijk. De dichtersgeneratie voor hem (met o.a. Vergilius en Horatius) had de bloedige burgeroorlogen (vooral na de moord op Caesar) nog bewust meegemaakt, maar voor Ovidius, die in 31 v.C. (het jaar van de beslissende slag bij Actium) pas twaalf jaar was, waren vrede en voorspoed een vanzelfsprekende zaak. Waarschijnlijk ligt daar een verklaring voor het luchtige en ongedwongen karakter van zijn poëzie, die er slechts op uit was om mensen te behagen. Ovidius meed de grote thema's van Romeinse trots en deugd en koos voor persoonlijke poëzie, voor het verhaal, de erotiek en de emotie.

 

Ovidius' bezigheden waren die van een Romeinse ridder en van een dichter die passie heeft voor de letteren. Hij was voornaam in de omgang en zijn levenswandel bleef onbesproken. Bijzonder graag ging hij om met literair onderlegde vrienden, redenaars en dichters. Met warme belangstelling beluisterde en besprak hij het werk dat zij voorlazen. Hemzelf was het heel aangenaam hun zijn jongste dichtwerk ter beoordeling en ter bewondering voor te dragen. Hij was vol eerbied voor dichters met gevestigde faam, maar ook vol passie voor zijn eigen letterkundige roem. Toch bleef hij vrij van jaloezie tegenover zijn collega's en wist hij jongeren aan te moedigen en te helpen met raad.

 

Doorheen dat alles was Ovidius hoofdzakelijk begaan met dichterlijke schepping. Hij las veel van anderen en was zelf een productief schrijver. Hij herlas en herwerkte zijn verzen tot alles volledig aan zijn smaak beantwoordde. De verfijning die zijn levenswijze typeerde, stelde hij evenzeer op prijs in zijn letterkundige werken. Hij was een geboren verteller met een fijn gevoel voor kleine details en een groot meesterschap over de Latijnse verstechniek. In taalvaardigheid munt hij werkelijk uit. Ovidius moet dat ook zelf zo hebben aangevoeld, want hij verklaarde: Quod temptabam scribere, versus erat ('Al wat ik probeerde te schrijven, was een vers').

 

Het oeuvre van Ovidius is buitengewoon omvangrijk (ca. 35 000 verzen, bijna driemaal zoveel als Vergilius). Hij oefende zeer veel invloed uit op latere Romeinse schrijvers en werd vlijtig gelezen, geciteerd en nagevolgd in de Oudheid, de Middeleeuwen en de moderne tijden. Hij was de favoriete Latijnse dichter van de Renaissance en zijn werken werden veelvuldig vertaald. Geoffrey Chaucer (1340-1400), Edmund Spenser (1552-1599), Christopher Marlowe (1564-1593), John Milton (1608-1674) en zelfs William Shakespeare (1564-1616) werden door hem geïnspireerd. Aan de plastische kunsten (vooral aan de schilderkunst) hebben zijn werken vanouds stof geleverd. Ovidius wordt beschouwd als de grootste Latijnse dichter na Vergilius en Horatius. Geen enkele Romeinse dichter kan echter zijn impact op de westerse kunst en cultuur evenaren.