startpagina | rubriekoverzicht > literatuur

 

Horatius

 

 

 

Leven

 

Quintus Horatius Flaccus werd geboren in de Zuid-Italiaanse stad Venusia (Venosa) op 8 december 65 v.C. Zijn vader was een vrijgelaten slaaf, die zich door zijn inkomsten als coactor exactionum (ontvanger bij openbare verkopingen) een bescheiden landgoed had kunnen aanschaffen. In verband met de opleiding van zijn begaafde zoon koesterde Horatius' vader plannen die, gezien zijn nederige afkomst, ongebruikelijk waren. Toen Horatius in zijn geboortestreek niets meer kon leren, verpachtte de vader zijn landgoed en verhuisde met zijn zoon naar Rome. Horatius' moeder was reeds overleden.

 

In Rome bezocht Horatius gereputeerde scholen, o.a. die van Lucius Orbilius Pupillus, die de dichter plagosus ('met de zweep') noemt, omdat hij slaag kreeg tijdens de lessen. Hij leerde er de Griekse letterkunde kennen (o.a. de Ilias en de Odyssea van Homerus), eerst in vertaling, daarna in het Grieks. Op moreel gebied zorgde de vader zelf voor de nodige kennis en inzichten, want hij begeleidde en onderrichtte zijn zoon zo goed mogelijk. Horatius beëindigde de lessen in Rome ca. 46 v.C. Ter voltooiing van zijn studies ging hij, zoals alle jonge mensen van stand, naar Athene, dé universiteitsstad van die tijd, waar hij wijsbegeerte studeerde (op dat ogenblik waren vier richtingen toonaangevend: de leer van Plato, van Aristoteles, van de Stoa en van Epicurus; Horatius voelde zich vooral in de laatstgenoemde richting thuis).

 

Horatius bevond zich nog in Athene, toen Marcus Junius Brutus er na de moord op Caesar (15 maart 44 v.C.) soldaten kwam ronselen in zijn strijd tegen het leger van Octavianus. Als aanhanger van de republikeinen nam Horatius dienst in Brutus' leger (september 44 v.C.) en bracht het – zonder enige militaire opleiding of ervaring en ondanks het feit dat hij niet tot de ridderstand behoorde – tot tribunus militum (krijgstribuun). Bij de slag van Philippi (42 v.C.) sloeg hij echter op de vlucht en deserteerde. Zowel zijn politieke als militaire loopbaan waren hierdoor afgelopen en er bleef hem niets anders over dan gebruik te maken van de algemene amnestie die was uitgevaardigd door Octavianus en naar Rome terug te keren (41 v.C.).

 

In Italië wachtte hem een nieuwe ontgoocheling: het vaderlijk erfgoed (zijn vader zelf was intussen gestorven) was in beslag genomen en verbeurdverklaard ten voordele van de veteranen van Octavianus. Met het weinige geld dat hem nog restte, kocht hij zich een broodwinning als scriba quaestorius (secretaris van de schatkist). In zijn vrije tijd schreef hij poëzie (zoals hij zelf zegt: paupertas impulit audax ut versus facerem, 'schaamteloze armoede zette me aan om verzen te schrijven'). Door zijn eerste gedichten kwam hij in de openbaarheid en trachtte hij zich vrienden te maken in de kringen die door Octavianus en Maecenas werden beschermd.

 

De dichters Publius Vergilius Maro en Lucius Varius Rufus, die Horatius' poëzie hadden opgemerkt en waardeerden, stelden hem voor aan Gaius Maecenas, die hem in 38 v.C. in zijn literaire kring opnam. Het aanvankelijk oppervlakkige contact tussen Maecenas en Horatius groeide stilaan uit tot een hechte vriendschap, die de rest van hun leven zou blijven bestaan. Horatius maakte van Maecenas positie geen misbruik om in de hoogste regionen van de Romeinse maatschappij terecht te komen, maar hij verkoos in de schaduw te leven.

 

Rond 33 v.C. kreeg Horatius van zijn beschermheer Maecenas een landgoed (Sabinum) in de streek van de Sabijnen, ca. 35 km ten noordoosten van Rome, niet ver van Tibur (Tivoli). Vanaf dat moment verdeelde Horatius zijn tijd tussen Rome en zijn landgoed, waar hij in aangename omstandigheden en in alle vrijheid zijn dagen doorbracht. Hij was bevriend met nagenoeg alle eminente Romeinen van die tijd, maar hij trouwde nooit. Het aanbod van keizer Augustus om Horatius als secretaris aan zijn persoon te verbinden, werd door de dichter met waardigheid van de hand gewezen: hij zou zich liever in alle bescheidenheid op zijn buitengoed terugtrekken en zich alleen aan de dichtkunst wijden.

 

De dood van Vergilius in 19 v.C. berokkende hem het grootste leed dat hij in zijn leven ooit ondervond. Het leverde hem voortaan wel de eerste plaats op in de literaire kring van Maecenas. Augustus kroonde hem tot officiële dichter van Rome door hem de vererende opdracht te geven een feestzang te componeren ter gelegenheid van de grootse Romeinse eeuwfeesten in 17 v.C.

 

De laatste jaren van zijn leven vulde Horatius met lectuur en studie van wijsgerige geschriften, waarbij hij vooral werd aangetrokken door het epicurisme. Hij genoot van alles wat het leven hem te bieden had, maar was vooral gesteld op zijn vriendschap met Maecenas. Treffend is het toeval dat Horatius zijn boezemvriend slechts een tweetal maanden overleefde. Horatius stierf op 27 november 8 v.C. Naar het schijnt werd hij onverwacht zo ernstig ziek dat hij nauwelijks tijd had om zijn testament te maken; anderen beweren dat hij zelfmoord pleegde (omwille van Maecenas' dood). Augustus liet zijn graftombe oprichten naast die van zijn beschermer (op de Esquilinus, in het oosten van Rome).

 

Uit zijn eigen werk weten we een en ander over het uiterlijk en karakter van Horatius. Hij was klein en tamelijk dik, had zwarte ogen, werd vroeg grijs en had een wankele gezondheid; hij leed aan een oogkwaal, die hem veel last berokkende. Hij was opvliegend van aard, maar bekoelde al even vlug. Horatius was een voorname heer met hoofse manieren en verzorgde kledij. Hij was vol verachting voor het gemene volkje (ondanks zijn eigen afkomst). Aan slordigheid had hij een ingeboren hekel. Een beschaafde taal, verfijnde manieren en een beminnelijke omgang met zijn vrienden waren voor hem het hoogste ideaal. Hij moet als het prototype van de Romeinse 'gentleman' aangezien worden.

 

 

Werken

 

Iambi (in het Nederlands 'Epoden' genoemd)

 

Geschreven gedurende ongeveer 10 jaar en uitgegeven ca. 30 v.C. De bundel bestaat uit 17 hekeldichten (11 in een jambisch metrum, 6 in een combinatie van jamben en dactylen), vooral geïnspireerd op de Griekse dichter Archilochus van Paros (midden 7de eeuw v.C.). De naam is afkomstig van het gebruikte metrum, de jambische strofe (combinaties van een lange en een korte versregel). Horatius' verzen zijn minder scherp dan de jamben van zijn Griekse voorganger, die door zijn venijnige pen sommige van zijn literaire slachtoffers tot zelfmoord zou hebben gedreven. Een aantal van zijn epoden bevatten weliswaar scheldpartijen, maar het doelwit is steeds anoniem of onbekend. Over de meeste gedichten hangt echter een fijne spottende toon.

 

Sermones (in het Nederlands 'Satiren' genoemd)

 

Gelijktijdig geschreven met de Epoden. Boek I (10 gedichten, samen 1.030 hexameters) werd gepubliceerd in 35 v.C. en boek II (8 gedichten, samen 1 083 hexameters) in 30 v.C. Ze vormen een soort gesprekken over allerlei onderwerpen, maar de grondidee is meestal een of andere zedelijke opvatting. In dat verband heeft Horatius heel wat gedachten aan Griekse wijsgeren ontleend, zodat zijn satiren dan ook niet treffen door originaliteit. De dichter bekritiseert scherp de menselijke zwakheden, maar ook zelfspot is hem niet vreemd (zijn persoonlijke situatie wordt meer dan eens over de hekel gehaald). Voor dit genre zocht Horatius zijn inspiratie bij de dichter Gaius Lucilius (180-102 v.C.). Zijn gedichten vertonen evenwel niet de scherpte van de oude meester, maar hij wil eerder ridentem dicere verum ('lachend de waarheid zeggen'). Pijnlijke aanvallen tegen individuen zijn bij hem bijna volledig afwezig. Horatius' grootste verdienste is de autobiografische vorm: elk aspect van de compositie komt voort uit zijn eigen leven.

 

Carmina (in het Nederlands 'Oden' genoemd)

 

De vroegste gedichten dateren van ca. 31 v.C. De boeken I tot III (resp. 38, 20 en 30 oden, opgedragen aan Maecenas) werden gepubliceerd in 23 v.C. en boek IV (15 oden, opgedragen aan Horatius' vriend Paulus Fabius Maximus) in 13 v.C. Voor dit werk liet Horatius zich vooral inspireren door de archaïsche lyriek van de Griekse dichter Alcaeus van Mytilene (geboren ca. 625-620 v.C.), maar ook door Sappho van Lesbos (2de helft 7de eeuw v.C.), Anacreon van Teos (geboren ca. 575-570 v.C.) en Pindarus van Thebe (518 - na 446 v.C.). In diverse metra worden de meest uiteenlopende onderwerpen behandeld. Mythologische, nationale en persoonlijke thema's wisselen elkaar af. Zo heeft hij het o.a. over de natuur, liefde, vriendschap, wijn, het dichterschap, de goden, het vaderland, het leven, de dood enz.

 

Epistulae ('Brieven')

 

Boek I (20 brieven, samen 1 006 hexameters) werd uitgegeven ca. 19 v.C. Boek II bevat slechts twee brieven: brief 1 (270 hexameters, gericht aan keizer Augustus) werd geschreven in 16/15 v.C. en brief 2 (216 hexameters, gericht aan de jonge schrijver Julius Florus) in 19/18 v.C. In deze brieven zijn wijsgerige problemen, letterkunde en moraal aan de orde. Sommige brieven zijn gericht aan zijn vrienden en bevatten aanbevelingen en uitnodigingen. Het gaat niettemin om fictieve brieven: Horatius neemt de geadresseerde enkel als uitgangspunt en verwacht niet dat de lezer gelooft dat hij een reële brief leest die bij een concrete gelegenheid aan iemand werd toegestuurd; hij doet trouwens ook niet de minste moeite om die illusie te creëren.

 

Ars poetica ('De dichtkunst')

 

Eigenlijk de derde en laatste brief (476 hexameters) uit boek II van de Epistulae, ook bekend als de Epistula ad Pisones ('Brief aan Piso en zijn zoons'). De verschijningsdatum wordt zeer verschillend gesitueerd (men weet nl. niet met zekerheid wie de genoemde Piso precies is), maar aangenomen wordt ca. 19 v.C. Waarschijnlijk gaat het in de titel om Gnaeus Calpurnius Piso (zoals Horatius een veteraan van Philippi) en zijn zoons Gnaeus en Lucius. Toen een van die zoons zich eveneens aan de dichtkunst wilde wijden, zou Horatius zijn ideeën over de voorwaarden waaraan een literair kunstwerk moet voldoen, in een brief hebben neergeschreven; voorts formuleerde hij een reeks raadgevingen en wilde hij vooral aantonen dat de dichtkunst een zeer moeilijke kunst is. Het nogal grillige plan van de brief bewijst dat het niet de bedoeling was een wetmatig traktaat te schrijven, maar veeleer een gesprek te voeren over het wezen en de opdracht van de dichtkunst. Horatius beijvert zich in dit werk minder om de leergierige dichters te leiden dan om ze te ontmoedigen. Hij pleit bovendien voor navolging van de Grieken, omdat alleen zij volgens hem de notie van de belangeloze kunst en van een zuivere en volmaakte vorm bezitten. De esthetische perfectie en het praktische nut zijn de twee hoedanigheden die Horatius bij de Grieken vindt en dan ook aan de Latijnse dichters aanbeveelt. Dit leergedicht heeft veel invloed uitgeoefend op de Europese literatuur in latere tijden.

 

Carmen saeculare ('Lied van het eeuwfeest')

 

Hymne ter ere van Apollo en Diana (76 verzen in sapphische strofe), die in 17 v.C. op verzoek van Augustus werd gecomponeerd om uitgevoerd te worden door een koor van 27 jongens en 27 meisjes van adellijke afkomst ter gelegenheid van de ludi saeculares ('eeuwfeesten'), bedoeld om het nieuwe vredestijdperk in te luiden. Deze feesten waren van zeer oude oorsprong en werden in principe gevierd om de 100 jaar (saeculum), maar wellicht ook nog bij andere tussentijdse gelegenheden, wanneer het volk erom vroeg of wanneer het de heersers geschikt voorkwam. De feesten duurden zonder onderbreking drie dagen en drie nachten voort (in dit geval van 31 mei tot 2 juni 17 v.C.).

 

 

Waardering

 

In zijn werk is Horatius sterk beïnvloed door Griekse voorbeelden (vooral door de archaïsche dichters Archilochus van Paros, Alcaeus van Mytilene en Sappho van Lesbos), maar eigen inspiratie – zowel op inhoudelijk als op stilistisch vlak – verheft hem ver boven het niveau van de imitator. Vooral in de vorm is hij een meester. De stijl van Horatius onderscheidt zich door een grote afwisseling, gaande van ernstig en plechtig taalgebruik tot bijna onbeduidende spreektaal. Het woordgebruik is precies en de formulering past steeds perfect.

 

Horatius' werken vertonen een heel verscheiden thematiek. Naar de inhoud is zijn oeuvre in hoofdzaak een lofzang op wat hij de aurea mediocritas ('gulden middenweg') noemt. Beschermd en gesteund door Maecenas verheerlijkt Horatius, overeenkomstig de geest van die tijd, de zegeningen van het nieuwe regime van keizer Augustus. Zijn filosofie wordt wel eens weergegeven met de woorden carpe diem ('pluk de dag'), hetgeen hem stempelt tot een aanhanger van het hedonisme (filosofische leer die stelt dat het zinnelijke genot de drijfveer en het doel van het menselijke handelen is). Men mag daarbij echter niet vergeten dat bij Horatius het genot aan de rede ondergeschikt bleef. Hij was eerder een gematigd epicurist, die zowel de mondaine genoegens van de grootstad als de rust van het landelijke leven wist te appreciëren.

 

Reeds tijdens zijn leven werden Horatius' werken gewaardeerd. Nog voor hij stierf, werden zijn Carmina een schooltekstboek. Hij had echter weinig navolgers om zijn lyrische vormen te imiteren. Sedert de Middeleeuwen is Horatius ijverig bestudeerd, zowel binnen als buiten de scholen, aanvankelijk vooral om zijn fraai gestileerde levenswaarheden, waarvan speciale bloemlezingen circuleerden, later ook om zijn werk als geheel. In de Middeleeuwen was Horatius vooral populair met zijn moraliserende Sermones en Epistulae. De Carmina werden toen niet zoveel gelezen, hoewel een vindingrijke Duitse geleerde, die in de late 15de eeuw lezingen gaf over Horatius, een componist ertoe aanzette om 19 oden op muziek te zetten, zodat de studenten ze dagelijks konden zingen op het einde van de lessen.

 

Vooral in de Renaissance vielen Horatius' gedichten bijzonder in de smaak. Zijn Ars poetica werd toen beschouwd en aanvaard als een complete gids over poëzie. Vanwege zijn soberheid, zijn juiste maat en gestrengheid inzake literatuur en vanwege zijn voortdurende streven naar volmaaktheid zagen de humanisten van de Renaissance Horatius als de verpersoonlijking van de klassieke deugden van maat en evenwicht. Zijn Carmina en zijn Ars poetica waren het grote voorbeeld van de classicistische dichters, bij wie Horatius' filosofie van gematigdheid bijzondere bijval genoot. Horatius is een van de meest geciteerde Latijnse dichters; vele spreuken werden aan zijn werk ontleend.