|
startpagina | rubriekoverzicht
> literatuur |
Carmina
Burana
|
Oorsprong |
Onder de naam Codex
Buranus, beter bekend als Carmina
Burana, wordt in de Bayerische
Staatsbibliothek te München een middeleeuws handschrift bewaard dat
in 1803 werd gevonden in de kloosterbibliotheek van de Zuid-Beierse
benedictijnenabdij van Benediktbeuern (in het Latijn Buranum, vandaar de naam).
Het manuscript bevat de teksten (dikwijls voorzien van muzikale annotaties) van
ruim 200 profane liederen die in de 12de en 13de eeuw door anonieme auteurs uit
diverse landen werden samengesteld.
Inhoudelijk is de liederenbundel heel rijk gevarieerd: je vindt
er moraliserende of satirische liederen, bijtende spotverzen, tedere
liefdesgedichten, onthutsende bekentenissen, lyrische natuurhymnen en
uitgelaten drink- of speelliederen. Soms zijn mythologische verhalen of
historische gebeurtenissen de inspiratiebron. De liederen vormen vaak een
satire op de zeden van die tijd, in het bijzonder op het morele verval dat zich
voordeed bij de leden van de clerus. De taal van de meeste teksten is het
(middeleeuws) Latijn, maar er zijn ook enkele liederen in het Middelhoogduits
en in het Provençaals, soms zelfs in een combinatie van die talen.
De anonieme dichters en muzikanten van de Carmina Burana vormen een heel
geromantiseerde groepering van intellectuelen (studenten en geestelijken) die
zonder vaste verblijfplaats, aan de rand van de samenleving, hun stem wensten
te verheffen, al dan niet maatschappijkritisch of hekelend, beschouwend of
lofprijzend. Men noemt hen vaganten (van het Latijn vagari, 'rondzwerven') of goliarden (een term van duistere
oorsprong, soms afgeleid van het Latijn gula,
'gulzigheid', van het Italiaans gagliardo,
'waaghals', van het Provençaals gualiar,
'bedrieger', of zelfs van de bijbelse reus Goliath als symbool van het kwade).
Deze vaganten of goliarden waren vaak geestelijken die
handelden in strijd met de benedictijnse regel dat een juiste uitoefening van
godsdienst standvastigheid vereist (ubi
stabilitas, ibi religio). Het waren in ieder geval geletterden met
een literair-muzikale achtergrond, vertrouwd met Latijnse dichters als Ovidius,
Horatius en Juvenalis en op de hoogte van bijbelse thema's, kerkelijke
gebruiken en ook wantoestanden. Als centra waar zij hun kunde en kunst ten
uitvoer brachten, fungeerden universiteiten, scholen, hoven, kloosters,
herbergen en markten.
Het manuscript van de Carmina
Burana werd voor het eerst gepubliceerd in 1847 door de Duitse
germanist Johann Andreas Schmeller (1785-1852), die aan de liederen ook hun
huidige naam toekende. Toch kregen de liederen pas 90 jaar later grote
bekendheid door de bewerking van Carl Orff.
|
Componist |
De Duitse componist en muziekpedagoog Carl Orff werd
geboren te München in 1895 uit een Beierse familie van legerofficieren. Hij
studeerde aan de Akademie der Tonkunst
in München, tot hij in 1914 werd gemobiliseerd. Na de Eerste Wereldoorlog was
hij achtereenvolgens koorrepetitor en kapelmeester in München, Mannheim en
Darmstadt. Vervolgens voltooide hij zijn muziekstudies bij de Duitse componist
Heinrich Kaminski (1886-1946).
In 1925 werd Orff muziekleider aan de Günther-Schule voor muziek en dans,
waar zijn ideeën over muziekopvoeding vaste vorm kregen. Dat resulteerde in het
leerboek Das Schulwerk
(1930), later omgewerkt tot Orff-Schulwerk
– Musik für Kinder (1950-1954), waarmee hij de spontane
musiceervreugde van het kind trachtte op te vangen en verder te ontwikkelen.
In 1931 werd hij dirigent van de Münchener Bachverein. Van 1950 tot 1960
was hij leraar compositie aan de Staatliche
Hochschule für Musik te München. Daarna werd hij leider van het in
1961 opgerichte Orff-Institut
aan het Mozarteum te
Salzburg. In 1955 kreeg hij de titel van doctor
honoris causa aan de universiteit van Tübingen. Hij overleed in
zijn geboortestad in 1982.
Orff liet zich voor diverse composities inspireren door de
klassieke Oudheid, meer bepaald door de Griekse tragedie of de Romeinse
literatuur: voorbeelden daarvan zijn Orpheus
(1925-1940), Klage der Ariadne
(1925-1940), Antigone (1949),
Oedipus der Tyrann (1959) en Prometheus (1968).
|
Bewerking |
Carl Orff schreef in 1936-1937 de toneelcantate Carmina Burana – Cantiones profanae cantoribus et
choris cantandae comitantibus instrumentis atque imaginibus magicis
('Liederen uit Benediktbeuern – Profane gezangen die door zangers en koren gezongen
moeten worden onder begeleiding van instrumenten en magische afbeeldingen'),
die hij beschouwde als zijn eerste volwaardige compositie. Samen met de Catulli carmina (1943) en de Trionfo di Afrodite (1954) vormt dit
werk een toneeltriptiek onder de gezamenlijke titel Trionfi.
De tekst werd door de componist zelf samengesteld uit de
gedichten van de Carmina Burana,
die hij in 1935 ontdekte door de uitgave van Schmeller. In de selectie die Orff
eruit maakte, zit geen verhalend verband, maar gewoon een opeenvolging van
situaties, die wel werden ondergebracht in een aantal groepen. De personages
bij Orff zijn avonturiers van de lagere clerus, meisjes en hun minnaars,
gokkers, dronkelappen, een verliefd koppel en dergelijke meer. De liederen
illustreren het studentenleven in die tijd.
Orff schreef dit werk voor solo's van een sopraan, een
tenor en een bariton en voor een kinder- en een gemengd koor. Het wordt
uitgevoerd door een groot orkest met een sterke slagwerkbezetting en twee
piano's, in een psalmodiërende en ritmische stijl, maar met een gewild
eenvoudige harmonie. De eerste van vele opvoeringen van de Carmina Burana vond plaats in Frankfurt
op 8 juni 1937. De eerste productie buiten Duitsland was in de Scala van Milaan in 1942.
De 25 Carmina Burana
van Orff bestaan uit de ouverture Fortuna
imperatrix mundi ('Het Lot als bevelhebster van de wereld') en drie
grote delen: Primo vere ('Bij
het begin van de lente'), In taberna
('In de herberg') en Cour d'amours
('Hof van liefdes'); het geheel wordt afgesloten door een herhaling van het
openingsthema.