startpagina | rubriekoverzicht > literatuur

 

Caesar

 

 

 

Leven

 

Gaius Julius Caesar werd geboren in 100 v.C. in de gens Iulia (een oude adellijke familie).

 

Hij volgde zijn politieke loopbaan in de volkspartij:

– 68 v.C. quaestor (schatbewaarder);

– 65 v.C. aedilis (ediel, belast met allerlei taken);

– 63 v.C. pontifex maximus (opperpriester);

– 62 v.C. praetor (opperrechter).

 

In 60 v.C. sloot hij het eerste triumviraat (driemanschap) met Gnaeus Pompeius Magnus (de grote politieke figuur van de senaatspartij) en met Marcus Licinius Crassus (de geldschieter), waarbij de drie heren de macht onder elkaar verdeelden.

 

In 59 v.C. was Caesar consul, het jaar daarop proconsul (gouverneur) van de provincies Gallia Cisalpina en Gallia Transalpina (resp. langs de Italiaanse en de Franse kant van de Alpen). Dit gouverneurschap betekende het begin van Caesars verovering van Galli๋ en dus van de Gallische oorlog (tot 50 v.C.).

 

Doordat Caesar afwezig was, haalde Pompeius in Rome de macht meer en meer naar zich toe. Wanneer Crassus dan in 53 v.C. tijdens een veldtocht sneuvelde, leidde dat tot een conflict tussen Caesar en Pompeius.

 

In 50 v.C. was Caesars ambtstermijn als gouverneur van Galli๋ afgelopen en in 49 v.C. moest hij zijn leger ontbinden, maar hij weigerde. Bij het oversteken van de Rubico (de noordgrens van Itali๋) sprak hij toen de gevleugelde woorden Alea iacta est ('De teerling is geworpen'), wat meteen het begin betekende van een burgeroorlog tegen Pompeius, die echter door Caesar werd verslagen.

 

In 45 v.C. kreeg Caesar de titel van dictator, eerst voor een periode van tien jaar, later voor het leven. Dat was zeer tegen de zin van de republikeinen, die Caesar op 15 maart 44 v.C. tijdens een senaatszitting vermoordden.

 

Na Caesars dood ging de alleenheerschappij naar Octavianus (Augustus).

 

 

Werken

 

Caesar is als auteur bekend voor twee werken:

– Commentarii de bello civili ('Memoires over de burgeroorlog');

– Commentarii de bello Gallico ('Memoires over de Gallische oorlog').

 

Als bronnen voor zijn literair werk gebruikte hij:

– eigen aantekeningen en rapporten aan de senaat;

– brieven aan zijn vrienden in Rome;

– verslagen van zijn officieren;

– andere auteurs (voor de aardrijkskundige en geschiedkundige bijzonderheden).

 

Niettemin vormen zijn boeken een propagandawerk:

– hij verdedigt voortdurend zijn bedoelingen;

– hij verzwijgt zijn fouten of probeert ze goed te praten;

– hij stelt zijn tegenstanders systematisch in een ongunstig daglicht.

 

Toch wekt hij bij de lezers een indruk van objectiviteit:

– hij schrijft over zichzelf in de derde persoon;

– hij hanteert een heldere en zakelijke stijl;

– zijn taal is zuiver en klassiek ('Standaardlatijn').