|
startpagina | rubriekoverzicht
> grammatica > substantief |
Inleidende
begrippen
|
Verbuiging
en naamvallen |
De volgorde van de woorden is in het Nederlands van cruciaal
belang voor de betekenis van een zin. Zo is er inhoudelijk een groot verschil
tussen de zinnen 'Jan slaat Piet' en 'Piet slaat Jan'. In de eerste zin is Jan
het onderwerp en Piet het lijdend voorwerp; in de tweede zin is het net
omgekeerd: daarin wordt de handeling uitgevoerd door Piet en ondergaan door
Jan.
Woordorde is in het Latijn van veel minder belang. Hoewel
er ook bepaalde regels zijn over de plaats van woorden in een zin, kan een
woord min of meer op iedere plaats in een zin staan. Zo betekenen de zinnen Lucius Marcum ferit en Marcum Lucius ferit allebei 'Luc slaat
Marc', ondanks de verschillende woordschikking. De precieze betekenis van een
zin wordt daar niet, zoals in het Nederlands, bepaald door de plaats van de
woorden, maar wel door hun vorm.
Een Latijns naamwoord (substantief, adjectief,
voornaamwoord) krijgt, afhankelijk van de functie
die het in de zin bekleedt, een andere uitgang. De verschillende vormen die een
naamwoord op die manier kan aannemen, noem je de naamvallen. Er zijn zes naamvallen: de nominatief, de vocatief,
de genitief, de datief, de accusatief en
de ablatief. Er zijn natuurlijk veel
meer dan zes functies mogelijk; aan een naamval beantwoordt dus in principe meer
dan één functie. Uiteraard kan een substantief, zoals in onze taal, zowel in
het enkelvoud als in het meervoud staan; je spreekt dan van het getal. Het geheel van alle mogelijke
vormen van een naamwoord noem je de verbuiging.
Bovendien heeft ook een Latijns substantief een genus (woordgeslacht), nl. mannelijk,
vrouwelijk of onzijdig.
Toch is het niet zo dat een woord in elke naamval een
volledig andere vorm aanneemt. Veranderlijke naamwoorden bestaan immers uit een
onveranderlijk deel, de stam (die de
betekenis van een woord bevat), en uit een veranderlijk deel, de uitgang (die de naamval en dus de
functie in de zin aanduidt). Bovendien is het in alle verbuigingen zo dat
eenzelfde uitgang voor verschillende naamvallen wordt gebruikt, waardoor het
aantal vormen dat een naamwoord kan aannemen, in de praktijk beperkt is.
|
Indeling
van de substantieven |
De substantieven worden ingedeeld in vijf groepen van
gelijksoortige woorden, d.w.z. woorden die op dezelfde manier worden verbogen. Die
verschillende verbuigingstypes worden onderscheiden volgens de uitgang van de
genitief enkelvoud, die bij elke categorie anders is:
|
– genitief enkelvoud op -ae |
> a-verbuiging |
|
– genitief enkelvoud op -i |
> o-verbuiging |
|
– genitief enkelvoud op -is |
> gemengde verbuiging |
|
– genitief enkelvoud op -us |
> u-verbuiging |
|
– genitief enkelvoud op -ei |
> e-verbuiging |
Daarom wordt in een woordenboek of vocabulariumlijst naast
de nominatief enkelvoud ook steeds de genitief enkelvoud vermeld, omdat je op
basis daarvan kunt bepalen tot welke van de vijf verbuigingen een substantief
behoort.
Bovendien kun je aan de hand van de genitief enkelvoud de
stam van een substantief bepalen, eenvoudigweg door de uitgang ervan weg te
laten. Zoals gezegd is deze stam het onveranderlijke deel van een substantief,
waarachter dan de uitgangen van de verschillende naamvallen en getallen worden
geplaatst.
bv. silva, gen.
enk. silv-ae > stam silv- (vandaar silv-am, silv-arum, silv-is, silv-as)
servus, gen. enk. serv-i > stam serv-
(vandaar serv-e, serv-o, serv-um, serv-orum, serv-is, serv-os)
rex, gen. enk. reg-is > stam reg-
(vandaar reg-i, reg-em, reg-e, reg-es, reg-um, reg-ibus)
|
Opmerking |
Ook de uitgang van de nominatief enkelvoud vormt vaak een
vast kenmerk, maar dezelfde uitgang kan bij verschillende verbuigingen
voorkomen. Alleen de uitgang van de genitief enkelvoud is een eenvormige manier
om de vijf verbuigingen van elkaar te onderscheiden.
bv. De woorden servus,
corpus en motus eindigen in de nominatief enkelvoud alledrie op -us, maar behoren toch tot drie
verschillende verbuigingen. Dat wordt duidelijk wanneer je kijkt naar de
genitief enkelvoud:
servus, gen. enk. servi > o-verbuiging
corpus, gen. enk. corporis > gemengde verbuiging
motus, gen. enk. motus > u-verbuiging