|
startpagina | rubriekoverzicht
> grammatica > naamvallen |
De
functies van de nominatief
|
Onderwerp |
|
= |
de persoon of de zaak die zich in een bepaalde toestand bevindt of
die een bepaalde handeling verricht (uitgedrukt door het vervoegd werkwoord) |
|
bv. |
Puer in horto ludit. = Het kind
speelt in de tuin. Germani trans Rhenum incolunt. = De Germanen
wonen over de Rijn. |
|
Naamwoordelijk
deel van het gezegde |
|
= |
zinsdeel
dat nadere uitleg geeft over het onderwerp, waaraan het gekoppeld is door het
werkwoord 'zijn' (of een werkwoord met een verwante betekenis), m.a.w. het
zegt in welke toestand het onderwerp zich bevindt |
|
bv. |
Locus
ille sanctus est. = Die plaats is heilig. Remus
frater est Romuli. = Remus is de broer van Romulus. |