|
startpagina | rubriekoverzicht
> grammatica > naamvallen |
De
functies van de datief
|
Meewerkend
voorwerp |
|
= |
de persoon
of de zaak die bij de handeling betrokken is, eraan meewerkt of er belang bij
heeft, m.a.w. de persoon aan wie men iets zegt of geeft of voor wie men iets
doet |
|
bv. |
Cuncta
fratri narravit. = Hij vertelde alles aan zijn broer. Amico litteras scripsi. = Ik heb (aan) mijn vriend
een brief geschreven. |
|
Datief
van voordeel en nadeel |
|
= |
de
persoon (of de zaak) die resp. voordeel of nadeel ondervindt van de handeling
of de toestand (uitgedrukt door een werkwoord of een adjectief) |
|
bv. |
(voordeel) Non scholae, sed vitae
discimus. = We
leren niet voor de school, maar voor het leven. (nadeel) Insidias parabat Ciceroni. = Hij beraamde een hinderlaag tegen
Cicero. |
|
Datief
van strekking |
|
= |
het doel
dat men nastreeft met de handeling of het gevolg dat de handeling heeft |
|
bv. |
Ei auxilio
venimus. = We
komen hem te hulp. Virtus
semper tibi honori erit. = Dapperheid zal jou altijd tot eer strekken. |
|
Datiefcomplement
bij een samengesteld werkwoord |
|
= |
datief
bij werkwoorden die zijn samengesteld met de voorzetsels ad, ante, cum,
in, inter, ob, post,
prae, sub en super |
|
bv. |
Mortem
servituti antepono. = Ik verkies de dood boven de slavernij. Periculum
consuli impendet. = Een gevaar hangt de consul boven het hoofd. |
|
Datief
van de bezitter |
|
= |
de
persoon die iets bezit bij het werkwoord esse |
|
bv. |
Regi duo erant filii. = De koning had twee
zonen. Sunt
nobis mitia poma. = Wij hebben rijpe vruchten. |
|
Voorwerp
bij een adjectief |
|
= |
voorwerp
bij adjectieven die vast met de datief verbonden zijn: o.a. aequus/par ('gelijk aan'), communis
('gemeenschappelijk aan'), finitimus/vicinus ('grenzend aan'), fidus ('trouw aan'), similis ('gelijkend op') enz. |
|
bv. |
Domum
habitat foro finitimam. = Hij woont in een huis dat grenst aan het forum. Lupus
cani similis est. = Een wolf gelijkt op een hond. |
|
Voorwerp
bij een werkwoord |
|
= |
voorwerp
bij werkwoorden die vast met de datief verbonden zijn: o.a. (con)fidere ('vertrouwen op'), credere ('geloven'), nocere ('schaden'), parcere ('sparen'), studere ('zich toeleggen op') enz. |
|
bv. |
Patri semper fido. = Ik vertrouw altijd op mijn
vader. Ne isti
homini credideris! = Geloof die man niet! |
|
Handelende
persoon bij een gerundivum |
|
= |
de
persoon voor wie de verplichting bestaat die wordt uitgedrukt door het
gerundivum |
|
bv. |
Multa
mihi narranda sunt. = Er moet door mij veel verteld worden. Ridendum
nunc tibi non est. = Er mag nu door jou niet gelachen worden. |
|
Datief
van standpunt |
|
= |
de
persoon vanuit wiens standpunt iets geldt of op wie een bepaalde stelling of
handeling van toepassing is |
|
bv. |
Suum
opus cuique pulchrum est. = Zijn eigen werk is voor iedereen mooi. Vere
aestimanti pax praestat bello. = Voor wie juist oordeelt, is vrede beter
dan oorlog. |
|
Dativus
ethicus |
|
= |
de persoon
die gevoelsmatig bij de handeling of de gebeurtenis betrokken is, m.a.w.
degene voor wie de mededeling belangwekkend is of die in de handeling belang
stelt |
|
bv. |
Quid
mihi Lucius agit? = Hoe maakt mijn Lucius het? At tibi
venit ad me Plinius. = Maar daar komt, stel je voor, Plinius op mij af. |