|
startpagina | rubriekoverzicht
> grammatica > naamvallen |
De
functies van de accusatief
|
Na een
voorzetsel |
|
|
ad = naar, tot (aan); bij adversus = tegenover; tegen ante = voor apud = bij circa = rond(om); nabij; omstreeks circum = rond(om); nabij; langs contra = tegenover; tegen extra = buiten; behalve in = naar, tot (in/op); tegenover inter = tussen, te midden van;
tijdens intra = binnen ob = wegens, om per = door ... heen, (dwars) door;
langs; gedurende; door middel van post = achter; na praeter = langs; boven; behalve prope = nabij, dicht bij; omstreeks propter = naast, dicht bij; wegens,
om secundum = langs; onmiddellijk na;
volgens sub = (tot) onder; kort voor,
omstreeks super = boven (op) supra = boven; behalve trans = aan de overzijde van; over ...
heen |
|
Lijdend
voorwerp |
|
= |
de
persoon of de zaak die de handeling van het onderwerp rechtstreeks ondergaat |
|
bv. |
Romulus
Romam condidit. = Romulus heeft Rome gesticht. Druides
tributa non pendunt. = De druοden betalen geen belastingen. |
|
Inwendig
voorwerp |
|
= |
voorwerp
bij een stamverwant of betekenisverwant onovergankelijk werkwoord, m.a.w. het
herhaalt de betekenis van het werkwoord zelf om het begrip dat reeds in het
werkwoord ligt te versterken of nader te bepalen |
|
bv. |
Vitam
beatam
vivo. = Ik
leid een gelukkig leven. Eandem
viam
iimus. = We
zijn dezelfde weg gegaan. |
|
Voorwerp
bij een samengesteld werkwoord |
|
= |
voorwerp
bij onovergankelijke werkwoorden die zijn samengesteld met de voorzetsels ad, circum, in,
ob, per, praeter, sub
en trans |
|
bv. |
Lucius
cum fratre urbem adit. = Lucius gaat met zijn broer naar de stad. Romani
hostes circumveniunt. = De Romeinen omsingelen de vijanden. |
|
Bijwoordelijke
bepaling van richting |
|
= |
eigennamen
van steden en kleine eilanden waar men heen gaat of die men bereikt |
|
bv. |
Regulus
Carthaginem rediit. = Regulus keerde terug naar Carthago. Marcus
Romam profectus est. = Marcus is naar Rome vertrokken. |
|
Bijwoordelijke
bepaling van uitgebreidheid in de ruimte |
|
= |
de
afstand, de lengte, de hoogte, de diepte, de breedte enz. van iets, of hoe ver
iemand gaat of iets verwijderd is |
|
bv. |
Via
viginti pedes lata est. = De weg is twintig voet breed. Magnum
spatium
iam aberant. =
Ze waren reeds een grote afstand verwijderd. |
|
Bijwoordelijke
bepaling van uitgebreidheid in de tijd |
|
= |
hoe
lang iets duurt, al bezig of reeds geleden is, of een leeftijd |
|
bv. |
Cotidie
septem horas dormiebat. = Dagelijks sliep hij zeven uur. Avus
nonaginta annos natus est. = Mijn grootvader is negentig jaar (oud). |
|
Onderwerp
van een infinitiefzin |
|
= |
onderwerp
of ermee congruerende bepaling (adjectief, naamwoordelijk deel van het
gezegde, bepaling van gesteldheid) in een infinitiefzin |
|
bv. |
Nuntiat
totum exercitum perisse. = Hij meldt dat heel het leger is omgekomen. Audivi
Ovidium esse bonum poetam. = Ik heb gehoord dat Ovidius een goede
dichter is. |
|
Accusatief
van betrekking |
|
= |
zinsdeel
dat uitdrukt in welk opzicht of in welke mate een handeling of mededeling van
toepassing is |
|
bv. |
Doleo
caput.
= Ik heb hoofdpijn. Manus post tergum vinctus erat. = Hij was vastgebonden met
zijn handen op zijn rug. |
|
Accusatief
van uitroep |
|
= |
uitroepen |
|
bv. |
O virum
eximium! =
Wat een buitengewone man! Heu,
me miserum!
= Wee mij, ongelukkige! |