|
startpagina | rubriekoverzicht
> grammatica > naamvallen |
De
functies van de ablatief
|
Na een
voorzetsel |
|
|
– a(b) = vanaf, vanuit, van; sinds; door – cum = (samen) met – de = vanaf, vanuit, van; over – e(x) = uit, vanuit, vanaf; sinds – in = in, op – pro = voor; in plaats van; in
verhouding tot – sine = zonder – sub = onder; aan de voet van – super = boven (op); over, aangaande |
|
Bijwoordelijke
bepaling van plaats |
|
= |
zinsdeel
dat antwoordt op de vraag 'waar?' |
|
bv. |
Exercitum
castris continuit. = Hij hield het leger in het kamp. Erat
Athenis domus infamis. = Er stond in Athene een berucht huis. |
|
Bijwoordelijke
bepaling van tijd |
|
= |
zinsdeel
dat antwoordt op de vraag 'wanneer?' |
|
bv. |
Vesuvius
hora septima erupit. = De Vesuvius is in het zevende uur
uitgebarsten. Caesar
Idibus Martiis occisus est. = Caesar is op de iden van maart vermoord. |
|
Bijwoordelijke
bepaling van middel |
|
= |
zinsdeel
dat antwoordt op de vraag 'waarmee?' |
|
bv. |
Ferro interfectus est. = Hij is gedood met een dolk. Cornibus tauri se defendunt. = Stieren verdedigen zich met
hun hoorns. |
|
Bijwoordelijke
bepaling van wijze |
|
= |
zinsdeel
dat antwoordt op de vraag 'hoe?' |
|
bv. |
Id
dixit clara voce. = Hij zei dat met luide stem. Epistula
magna cura scripta erat. = De brief was met grote zorg geschreven. |
|
Bijwoordelijke
bepaling van oorzaak en reden |
|
= |
zinsdeel
dat antwoordt op de vraag 'waarom?' |
|
bv. |
(oorzaak) Cives fame interierunt. = De burgers zijn van honger
omgekomen. (reden) Metu mortis omnia prodidit. = Uit angst voor de dood
heeft hij alles verraden. |
|
Bijwoordelijke
bepaling van scheiding en verwijdering |
|
= |
zinsdeel
dat antwoordt op de vraag 'vanwaar?' |
|
bv. |
Accepi
Roma litteras. = Ik heb een brief uit Rome ontvangen. Brundisio profecta est. = Ze is uit Brindisi
vertrokken. |
|
Bijwoordelijke
bepaling van afkomst |
|
= |
noemt
de afkomst of oorsprong van iemand of iets |
|
bv. |
Fonte magnum flumen oritur. = Uit de bron ontstaat
er een grote rivier. Catilina
nobili genere natus erat. = Catilina was geboren uit een edel geslacht. |
|
Bijwoordelijke
bepaling van bevrijding en beroving |
|
= |
drukt
uit waarvan men wordt bevrijd of beroofd |
|
bv. |
Castra
hostibus liberata sunt. = Het kamp is bevrijd van de vijanden. Fur
omnibus rebus me spoliavit. = De dief heeft mij van al mijn bezittingen
beroofd. |
|
Beschrijvende
ablatief |
|
= |
drukt
een lichamelijke of geestelijke eigenschap uit bij de naam van de persoon of
de zaak die deze eigenschap bezit (altijd vergezeld van een adjectief) |
|
bv. |
Cornelia
virgo est bona forma. = Cornelia is een meisje met een knap uiterlijk. Simulacra
immani magnitudine habent. = Ze hebben beelden met een enorme grootte. |
|
Beperkende
ablatief |
|
= |
duidt de
zaak of het deel aan ten opzichte waarvan iets wordt gezegd, m.a.w. drukt uit
op welk vlak of in welk opzicht de mededeling van toepassing is |
|
bv. |
Petrus
natione est Graecus. = Petrus is een Griek van afkomst. Corpore firmus est et manu
validus. = Hij
is krachtig van lichaam en sterk van vuist. |
|
Handelend
voorwerp |
|
= |
zinsdeel
dat antwoordt op de vraag 'waardoor?' in passieve zinnen |
|
bv. |
Nox
luna illustrabatur. = De nacht werd verlicht door de maan. Daedalus
clausus erat pelago. = Daedalus was ingesloten door de zee. |
|
Voorwerp
bij een adjectief |
|
= |
voorwerp
bij adjectieven die vast met de ablatief verbonden zijn: o.a. contentus ('tevreden met'), dignus ('waardig') enz. |
|
bv. |
Parvo contentus sum. = Ik ben met weinig tevreden. Factum
illud est laude dignum. = Die daad is lof waard. |
|
Voorwerp
bij een werkwoord |
|
= |
voorwerp
bij werkwoorden die vast met de ablatief verbonden zijn: o.a. frui ('genieten van'), niti ('steunen op'), potiri ('zich meester maken van'), uti ('gebruik maken van') enz. |
|
bv. |
Caesar
tota Gallia potitus est. = Caesar maakte zich meester van heel Gallië. Ad
ea sacrificia druidibus utuntur. = Bij die offers maken ze gebruik van de
druïden. |
|
Tweede
lid van een vergelijking |
|
= |
het
zinsdeel na een comparatief, ingeleid door 'dan' |
|
bv. |
Publius
doctior est Marco. = Publius is geleerder dan Marcus. Domus
illa est turri altior. = Dat huis is hoger dan een toren. |
|
Losse
ablatief |
|
= |
constructie
met een naamwoord en een participium in de ablatief ter vervanging van een
(meestal tijdbepalende) bijzin, ingeleid door 'terwijl' (participium presens
actief) of 'nadat' (participium perfectum passief) |
|
bv. |
Dis
iuvantibus
vincemus. = Terwijl
de goden helpen, zullen we overwinnen. His
dictis
abiit. = Nadat
deze zaken waren gezegd, ging hij weg. |
|
Ablatief
van overvloed |
|
= |
drukt
uit waarvan er een grote hoeveelheid voorhanden is |
|
bv. |
Senex
pecunia abundat. = De oude man heeft een overvloed van geld. Milites
praeda onusti redeunt. = De soldaten keren beladen met buit terug. |
|
Ablatief
van prijs |
|
= |
drukt
uit op hoeveel iets wordt geschat, hoeveel iets kost of voor welke (bepaalde)
prijs men iets (ver)koopt of (ver)huurt |
|
bv. |
Decem
talentis
id vendidit. =
Hij verkocht het voor tien talenten. Donum
emit centum sestertiis. = Hij kocht een geschenk voor honderd sestertiën. |
|
Ablatief
van maat |
|
= |
bij comparatieven
of werkwoorden die een vergelijkende waarde hebben om aan te geven in welke
mate het genoemde van iets verschilt, bij ante
('voor') en post ('na') om
aan te duiden hoeveel vroeger of later iets gebeurt, of om een afstand aan te
duiden |
|
bv. |
Multo sapientior sum quam tu. = Ik ben veel
verstandiger dan jij. Hora citius exspectatione venit. = Hij kwam een uur
vroeger dan verwacht. |