startpagina | rubriekoverzicht > grammatica > inleiding

 

Woordsoorten

 

 

 

Ieder woord kan op grond van zijn betekenis en van zijn grammaticale functie ondergebracht worden in een bepaalde categorie, die je woordsoort noemt. Het Latijn kent dezelfde woordsoorten als het Nederlands, met uitzondering van het lidwoord. Deze woordsoorten zijn:

 

1

Substantief: zelfstandig naamwoord, d.w.z. woord dat op een of andere manier een zelfstandigheid uitdrukt (een levend wezen, een voorwerp of een begrip); in het Nederlands kan het steeds worden voorafgegaan door een lidwoord.

 

bv. animal ('dier'), aurum ('goud'), cornu ('hoorn'), corpus ('lichaam'), ius ('recht'), liber ('boek'), libertas ('vrijheid'), mensis ('maand'), motus ('beweging'), puer ('jongen'), res ('ding'), rex ('koning'), servus ('slaaf'), silva ('bos'), templum ('tempel')

 

2

Adjectief: bijvoeglijk naamwoord, d.w.z. woord dat van een substantief een hoedanigheid (eigenschap) of een andere bijzonderheid noemt.

 

bv. bonus ('goed'), celer ('snel'), dives ('rijk'), dulcis ('zoet'), ingens ('reusachtig'), longus ('lang'), miser ('ongelukkig'), niger ('zwart'), pauper ('arm'), vetus ('oud')

 

3

Bijwoord: woord dat een adjectief, een ander bijwoord, een telwoord, een werkwoord of een hele zin bepaalt.

 

bv. antea ('vroeger'), deinde ('daarna'), ergo ('dus'), fere ('bijna'), ita ('zo'), magis ('meer'), non ('niet'), numquam ('nooit'), olim ('ooit'), postea ('nadien'), quoque ('ook'), statim ('dadelijk')

 

4

Telwoord: woord dat op een of andere manier een getal aanduidt, zoals een aantal of een hoeveelheid van zelfstandigheden (hoofdtelwoord), de rang- of volgorde die een zelfstandigheid onder gelijksoortige dingen inneemt (rangtelwoord) of het aantal keer dat een handeling van toepassing is (telbijwoord).

 

bv. hoofdtelwoorden: unus ('één'), duo ('twee'), tres ('drie'), quattuor ('vier'), quinque ('vijf')

     rangtelwoorden: primus ('eerste'), secundus ('tweede'), tertius ('derde'), quartus ('vierde'), quintus ('vijfde')

     telbijwoorden: semel ('eenmaal'), bis ('tweemaal'), ter ('driemaal'), quater ('viermaal'), quinquies ('vijfmaal')

 

5

Voornaamwoord: woord dat personen en zelfstandigheden aanduidt zonder ze te noemen en dat ook betrekkingen kan uitdrukken; het kan een substantief, een adjectief en zelfs een hele zin vervangen; je onderscheidt persoonlijke, bezittelijke, aanwijzende, betrekkelijke, vragende en onbepaalde voornaamwoorden.

 

bv. persoonlijke voornaamwoorden: ego ('ik'), tu ('jij'), nos ('wij'), vos ('jullie')

     bezittelijke voornaamwoorden: meus ('mijn'), tuus ('jouw'), noster ('ons/onze'), vester ('jullie')

     aanwijzende voornaamwoorden: hic ('deze/dit'), iste ('die/dat'), ille ('die/dat'), ipse ('zelf')

     betrekkelijke voornaamwoorden: qui ('die/dat'), quicumque ('al wie/wat'), quisquis ('al wie/wat')

     vragende voornaamwoorden: quis ('wie/wat/welk?'), qualis ('welk?'), quantus ('hoe groot?')

     onbepaalde voornaamwoorden: aliquis ('iemand/iets'), nemo ('niemand'), nihil ('niets')

 

6

Werkwoord: woord dat een handeling, een gebeurtenis, een evolutie of een toestand uitdrukt.

 

bv. audire ('horen'), capere ('nemen'), esse ('zijn'), ferre ('dragen'), habere ('hebben'), ire ('gaan'), posse ('kunnen'), velle ('willen'), vincere ('overwinnen'), vocare ('roepen')

 

7

Voorzetsel: woord dat een bepaalde betrekking aanduidt die er tussen twee substantieven in eenzelfde zin of tussen een substantief en een werkwoord bestaat; een voorzetsel kan op zichzelf niet bestaan, maar is altijd gecombineerd met een zelfstandig woord (substantief of voornaamwoord), waarmee het een voorzetselgroep vormt.

 

bv. ad ('naar'), ante ('voor'), apud ('bij'), cum ('met'), ex ('uit'), in ('in, op'), inter ('tussen'), per ('door'), post ('na, achter'), sine ('zonder'), sub ('onder'), trans ('over')

 

8

Voegwoord: woord dat het verband aangeeft tussen afzonderlijke woorden, gelijksoortige zinsdelen of hele zinnen; het is nevenschikkend als het twee zinsdelen of zinnen met gelijke waarde verbindt, onderschikkend als het een afhankelijke zin (bijzin) inleidt.

 

bv. nevenschikkende voegwoorden: aut ('of'), et ('en'), nam ('want'), neque ('en niet'), sed ('maar')

     onderschikkende voegwoorden: postquam ('nadat'), quamquam ('hoewel'), quia ('omdat'), si ('indien')

 

9

Tussenwerpsel: klank, woord of woordgroep die grammaticaal met geen enkel ander woord in de zin verbonden is, maar een volledig op zichzelf staande uiting vormt, meestal als nabootsing van geluiden, als uiting van gevoelens, als waarschuwingskreet of om de aandacht te trekken.

 

bv. ecce/en ('kijk, ziedaar'), heu ('helaas, ach')

 

Deze woordsoorten kun je indelen in twee grote groepen:

 

a

veranderlijke woordsoorten, d.w.z. woorden die verschillende vormen kunnen aannemen: substantieven, adjectieven, voornaamwoorden, werkwoorden en sommige telwoorden;

 

b

onveranderlijke woordsoorten, d.w.z. woorden die slechts in één vorm bestaan: bijwoorden, voorzetsels, voegwoorden, tussenwerpsels en de meeste telwoorden.

 

Opmerkingen

 

1

Naast de genoemde woordsoorten bestaat er nog een kleine groep van onveranderlijke woordjes, die men partikels noemt. Ze hebben weliswaar hun betekenis in de zin, maar moeten of kunnen dikwijls niet vertaald worden.

 

bv. de vragende partikels -ne, nonne en num, het wenspartikel utinam

 

2

Zoals gezegd kent het Latijn geen lidwoord. Uit het zinsverband moet blijken of je geen lidwoord, een onbepaald lidwoord ('een'), een bepaald lidwoord ('de' of 'het') of zelfs een bezittelijk voornaamwoord moet toevoegen.