startpagina | rubriekoverzicht > grammatica > afhankelijke zin

 

De completieve zin

 

 

 

Infinitiefzin

 

Als onderwerpszin

 

bij est met een naamwoordelijk deel van het gezegde

 

 

 

 

bv.

Tempus est me hinc abire. = Het is tijd dat ik vanhier wegga.

 

 

 

bij onpersoonlijke werkwoorden en uitdrukkingen

 

 

 

 

bv.

Apparet eum parentum exempla sequi. = Het blijkt dat hij de voorbeelden van zijn ouders volgt.

 

Als voorwerpszin

 

bij verba declarandi (werkwoorden die een mededeling uitdrukken)

 

 

 

 

bv.

Respondet Lucium domi non esse. = Hij antwoordt dat Lucius niet thuis is.

 

 

 

bij verba sentiendi (werkwoorden die een waarneming uitdrukken)

 

 

 

 

bv.

Caesar intellegebat hostes perisse. = Caesar begreep dat de vijanden waren omgekomen.

 

 

 

bij verba volendi (werkwoorden die een verlangen uitdrukken)

 

 

 

 

bv.

Omnem senatum ad se convenire principumque liberos obsides ad se adduci iussit. = Hij beval dat heel de senaat bij hem samenkwam en dat de kinderen van de vooraanstaanden als gijzelaars bij hem werden gebracht.

 

 

 

bij verba affectuum (werkwoorden die een gevoel uitdrukken)

 

 

 

 

bv.

Laetor amicam Romam redisse. = Ik ben blij dat mijn vriendin naar Rome is teruggekeerd.

 

 

Indicatiefzin

 

Voegwoord quod + indicatief

 

bij verba affectuum (werkwoorden die een gevoel uitdrukken)

 

 

 

 

bv.

Gaudeo quod te iterum video. = Ik ben blij dat ik jou opnieuw zie.

 

 

 

bij werkwoorden die een positieve of negatieve houding uitdrukken

 

 

 

 

bv.

Te accuso quod consulem occidisti. = Ik beschuldig jou ervan dat je de consul hebt gedood.

 

 

 

als aanvulling bij werkwoorden die betekenen 'gebeuren' of 'doen' of bij est met een naamwoordelijk deel van het gezegde

 

 

 

 

bv.

Optimum est quod statim venisti. = Het is uitstekend dat je onmiddellijk bent gekomen.

 

 

Conjunctiefzin

 

Voegwoord ut (ontk. ne) + conjunctief

 

bij verba volendi (werkwoorden die een verlangen uitdrukken)

 

 

 

 

bv.

Te rogo ut eum adiuves. = Ik vraag jou dat je hem helpt.

 

 

 

bij verba curandi (werkwoorden die zorgzaamheid uitdrukken)

 

 

 

 

bv.

Sol efficit ut omnia floreant. = De zon zorgt ervoor dat alles bloeit.

 

 

 

bij verba declarandi (werkwoorden die een mededeling uitdrukken) met wilsuiting

 

 

 

 

bv.

Scripsit ut statim venirem. = Hij schreef dat ik onmiddellijk moest komen.

 

Voegwoord ut (ontk. ut non) + conjunctief

 

bij onpersoonlijke werkwoorden en uitdrukkingen die betekenen 'gebeuren'

 

 

 

 

bv.

Plerisque accidit ut memoriam remittant. = Het overkomt de meesten dat ze het geheugen verwaarlozen.

 

Voegwoord ne (ontk. ne non of ut) + conjunctief

 

bij verba timendi (werkwoorden die een vrees uitdrukken)

 

 

 

 

bv.

Timeo ne hostis oppidum oppugnet. = Ik vrees dat de vijand de stad zal belegeren.

 

 

 

bij verba impediendi (werkwoorden die een verhindering uitdrukken)

 

 

 

 

bv.

Obstitit ne res conficeretur. = Hij verhinderde dat het plan werd uitgevoerd.

 

Voegwoord quin + conjunctief

 

bij werkwoorden die betekenen 'er niet aan twijfelen'

 

 

 

 

bv.

Non dubito quin id verum sit. = Ik twijfel er niet aan dat dat waar is.

 

 

 

bij werkwoorden die betekenen 'niet verhinderen'

 

 

 

 

bv.

Ne Suessiones quidem deterrere potuerant quin cum Belgis consentirent. = Zelfs de Suessiones hadden ze er niet van kunnen weerhouden dat ze met de Belgen samenzwoeren.

 

 

 

bij uitdrukkingen die betekenen 'het scheelt niet veel'

 

 

 

 

bv.

Non multum afuit quin vivus comprehenderetur. = Het scheelde niet veel of hij werd levend gevangengenomen.

 

 

Indirecte vraag

 

is een vraag die afhangt van een werkwoord dat betekent 'vragen' of 'zeggen'

 

wordt uitgedrukt door de conjunctief

 

wordt ingeleid door:

- een vragend voornaamwoord: bv. qualis, quantus, quis ...

- een vragend bijwoord: bv. quando, quare, quo, quomodo, ubi, unde ...

- een vragend partikel: -ne of num ('of ...')

 

bv.

Ab homine quaesivi quis esset. = Ik vroeg aan de man wie hij was.

 

Nescivit qualem librum emisset. = Hij wist niet welk boek hij had gekocht.

 

Dic nobis quando Roma fueris. = Zeg ons wanneer je in Rome bent geweest.

 

Scire velim quare canem occideris. = Ik zou willen weten waarom je de hond hebt gedood.

 

Dubito num eum adiuvem. = Ik twijfel of ik hem zou helpen.