startpagina | rubriekoverzicht > grammatica > afhankelijke zin

 

De bijwoordelijke zin

 

 

 

Doelaanwijzende zin

 

–

ut + conjunctief = 'opdat, om te'

 

 

 

 

bv.

Fugio ut vitam servem. = Ik vlucht om mijn leven te redden.

 

Edimus ut vivere possimus. = We eten om te kunnen leven.

 

 

 

–

ne + conjunctief = 'opdat niet, om niet te'

neve/neu + conjunctief = 'en opdat niet, en om niet te'

 

 

 

 

bv.

Abi ne capiaris neve moriaris! = Ga weg opdat je niet gevangengenomen zou worden en (opdat je niet) zou sterven!

 

 

 

–

quo + comparatief + conjunctief = 'opdat (des te), om (des te)'

 

 

 

 

bv.

Pontem facit quo facilius flumen transeant. = Hij laat een brug bouwen, opdat ze (des te) gemakkelijker de rivier zouden oversteken.

 

 

Gevolgaanduidende zin

 

–

ut + conjunctief = 'zodat, (zo) ... dat'

 

 

 

 

bv.

Tam aeger est ut domi maneat. = Hij is zo ziek dat hij thuis blijft.

 

Non sum ita stultus ut istud dicam. = Ik ben niet zo dwaas dat ik dat zou zeggen.

 

 

 

–

ut non + conjunctief = 'zodat niet, (zo) ... dat niet'

 

 

 

 

bv.

Aeger est, ut venire non possit. = Hij is ziek, zodat hij niet kan komen.

 

Tam cito abiit ut me non videret. = Hij ging zo vroeg weg dat hij mij niet zag.

 

 

Voorwaardelijke zin

 

–

si + indicatief/conjunctief = 'als, indien'

 

 

 

 

bv.

Si istud facis, vitam perdes. = Als je dat doet, zul je je leven verliezen.

 

Si dicat, non credatur. = Als hij zou spreken, zou hij niet worden geloofd.

 

Venissem, si petivisses = Ik zou gekomen zijn, als je het had gevraagd.

 

 

 

–

si non/nisi/ni + indicatief/conjunctief = 'als niet, indien niet, tenzij'

 

 

 

 

bv.

Id non facerem, nisi necesse esset. = Ik zou dat niet doen als het niet noodzakelijk was.

 

Memoria minuitur, nisi exerceas. = Het geheugen gaat achteruit, tenzij je het oefent.

 

 

 

–

sin (autem) + indicatief/conjunctief = 'als echter, indien echter'

 

 

 

 

bv.

Si patriam servaveris, laudaberis; sin (autem) prodideris, capitis damnaberis. = Als je je vaderland redt, zul je geprezen worden; als je het echter verraadt, zul je ter dood veroordeeld worden.

 

 

 

–

sive/seu ... sive/seu + indicatief = 'hetzij ... hetzij'

 

 

 

 

bv.

Illo loco uti soleo, sive quid mecum cogito, sive quid scribo aut lego. = Ik zoek gewoonlijk die plaats op, hetzij ik over iets bij mezelf nadenk, hetzij ik iets schrijf of lees.

 

 

 

–

dum + conjunctief = 'als ... maar, mits'

 

 

 

 

bv.

Oderint, dum metuant. = Ze mogen me haten, als ze me maar vrezen.

 

Validus eris, dum corpus exerceas. = Je zult gezond zijn, als je je lichaam maar oefent.

 

 

Toegevende zin

 

–

etsi/tametsi/quamquam + indicatief = 'hoewel, ofschoon, (ook) al'

 

 

 

 

bv.

Etsi nihil scis, tamen loqueris. = Ook al weet je niets, toch praat je.

 

Quamquam hostes sunt, tamen mihi placent. = Hoewel ze vijanden zijn, vallen ze bij mij toch in de smaak.

 

 

 

–

etiamsi + indicatief/conjunctief = 'zelfs indien, (ook) al'

 

 

 

 

bv.

Etiamsi curreres, tamen sero venires. = Zelfs indien je hard zou lopen, zou je toch te laat komen.

 

 

 

–

quamvis + conjunctief = 'hoe(zeer) ... ook'

 

 

 

 

bv.

Pergam, quamvis sit molestum. = Ik zal doorgaan, hoe lastig het ook is.

 

 

 

–

cum + conjunctief = 'hoewel, ofschoon, (ook) al, terwijl toch'

 

 

 

 

bv.

Maluit esse pauper, cum divitissimus esse posset. = Hij verkoos arm te zijn, hoewel hij schatrijk had kunnen zijn.

 

 

Redengevende zin

 

–

quod/quia + indicatief = 'omdat, aangezien'

 

 

 

 

bv.

Domi manet, quod aeger est. = Hij blijft thuis omdat hij ziek is.

 

Quia rem perdiderat, profectus est. = Omdat hij de zaak had verloren, is hij vertrokken.

 

 

 

–

quoniam + indicatief = 'omdat, aangezien'

 

 

 

 

bv.

Quoniam iam est nox, domum ite! = Ga naar huis, aangezien het al nacht is!

 

 

 

–

cum + conjunctief = 'omdat, aangezien'

 

 

 

 

bv.

Fur, cum custodem vidisset, fugit. = Omdat de dief de bewaker had gezien, sloeg hij op de vlucht.

 

 

Vergelijkende zin

 

–

ut/sicut + indicatief = 'zoals'

 

 

 

 

bv.

Perge ut coepisti! = Doe voort zoals je begonnen bent!

 

Omnia ita gesta sunt sicut exposui. = Alles is precies gebeurd zoals ik heb uiteengezet.

 

 

 

–

tamquam/velut si + conjunctief = 'alsof'

 

 

 

 

bv.

Irasceris mihi, tamquam peccaverim. = Je bent kwaad op mij, alsof ik (iets) heb misdaan.

 

Brutus, velut si cecidisset, terram osculo contigit. = Brutus kuste de grond alsof hij was gevallen.

 

 

Tijdbepalende zin

 

–

postquam + indicatief perfectum = 'nadat'

 

 

 

 

bv.

Postquam bellum gessit, obsides poposcit. = Nadat hij oorlog had gevoerd, eiste hij gijzelaars.

 

 

 

–

ubi (primum)/ut (primum) + indicatief = 'zodra'

 

 

 

 

bv.

Caesar, ubi vicit, profectus est. = Zodra Caesar had overwonnen, is hij vertrokken.

 

Ut advenerunt, hostes aggressi sunt. = Zodra ze aankwamen, vielen de vijanden aan.

 

 

 

–

dum + indicatief presens = 'terwijl'

dum + indicatief (alle tijden) = 'zolang'

dum + indicatief/conjunctief = 'totdat'

 

 

 

 

bv.

Dum Romae sum, pater mortuus est. = Terwijl ik in Rome was, is mijn vader gestorven.

 

Dum domo manet, tutus est. = Zolang hij thuis blijft, is hij veilig.

 

Hic insisto, dum abeas. = Ik blijf hier staan totdat je weggaat.

 

 

 

–

donec + indicatief = 'zolang'

donec + indicatief/conjunctief = 'totdat'

 

 

 

 

bv.

Donec eris dives, multos numerabis amicos. = Zolang je rijk zult zijn, zul je vele vrienden tellen.

 

Se celabant, donec hostilis ira consideret. = Ze hielden zich verborgen totdat de vijandelijke woede was bedaard.

 

 

 

–

antequam/priusquam + indicatief/conjunctief = 'voordat, vooraleer, alvorens'

 

 

 

 

bv.

Antequam auxilio venerunt, tota domus corruit. = Voordat ze te hulp waren gekomen, stortte heel het huis in.

 

Priusquam incipias, consulto opus est. = Vooraleer je begint, is er nood aan beraadslaging.

 

 

 

–

cum + indicatief = 'wanneer, toen, telkens als'

cum + conjunctief = 'toen, terwijl'

 

 

 

 

bv.

Cum Caesar in Galliam venit, trans Matronam Belgae habitabant. = Toen Caesar naar Galliλ kwam, woonden de Belgen over de Marne.

 

Cum oppidum oppugnaret, interiit. = Toen hij de stad belegerde, kwam hij om.