|
startpagina | rubriekoverzicht
> grammatica > afhankelijke zin |
De
bijvoeglijke zin
Een bijvoeglijke of betrekkelijke zin geeft nadere uitleg bij
een substantief uit de hoofdzin; dit woord noem je het antecedent.
Een bijvoeglijke zin wordt meestal ingeleid door een betrekkelijk voornaamwoord:
– getal en genus daarvan worden ontleend aan het
antecedent;
– de naamval daarvan wordt bepaald door de functie in de
bijvoeglijke zin.
Het werkwoord in de bijvoeglijke zin staat in principe in
de indicatief (wanneer de
conjunctief wordt gebruikt, wordt daarmee een bepaalde schakering uitgedrukt).
|
bv. |
Vir qui ibi it,
pater meus est.
= De man die daar gaat, is mijn vader. Germani, qui trans Rhenum
incolunt, in Galliam invadunt. = De Germanen, die over de Rijn wonen,
dringen Gallië binnen. Ascendit locum ex quo
maxime miraculum illud conspicere poterat. = Hij klom naar een plaats vanwaar
hij dat wonderbaarlijke schouwspel het best kon bekijken. |