startpagina | rubriekoverzicht > geschiedenis

 

Leven onder de Julisch-Claudische keizers

 

 

 

Politieke organisatie

 

Sinds Augustus in 27 v.C. de belangrijkste burger (princeps) in Rome was geworden, veranderde er een en ander in de politieke organisatie van het Romeinse Rijk. Augustus had geleerd uit de fouten van zijn oudoom en voorganger Caesar. Om protest vanwege de senaat en het volk te vermijden handhaafde hij schijnbaar de aloude bestuurlijke instellingen van de republiek. Achter deze republikeinse façade school echter een monarchie: voortaan was nagenoeg alle macht in handen van een alleenheerser. Die macht was in hoofdzaak gebaseerd op de tribunicia potestas (macht van de volkstribuun), die de keizer vetorecht, persoonlijke onschendbaarheid en het recht om de senaat en de volksvergadering samen te roepen verleende, alsook op het imperium proconsulare (of imperium maius), waardoor hij het gouverneurschap over de keizerlijke provincies, het bevelhebberschap over het grootste deel van het leger en de taak van rechter in beroep bezat. Daarnaast bekleedde de keizer soms ook de traditionele (republikeinse) magistraturen (zoals het ambt van consul of van censor), maar dat was eerder een uitzondering dan de algemene regel. Wel was iedere keizer tevens pontifex maximus (opperpriester van de Romeinse staatsgodsdienst). Ook de senaat kon de keizer allerlei andere bevoegdheden toekennen.

 

Doordat de keizer zoveel bevoegdheden naar zich toehaalde, hadden de senaat, de volksvergaderingen en de magistraten in feite nog slechts een ceremoniële functie; hun werkelijke macht verloren zij nagenoeg volledig. Dat betekent echter niet dat de individuele senatoren en andere prominenten nu geen belang meer hadden; de keizer deed op hen vaak een beroep om een aantal belangrijke ambten te bekleden (zoals het provinciegouverneurschap).

 

Zoals dat het geval was met de provincies, werd ook in de rest van het bestuurlijk apparaat het onderscheid tussen keizerlijke en senatoriale bureaucratie doorgetrokken. Zo liet de keizer zich bij belangrijke beslissingen adviseren door een soort kroonraad (consilium principis), die bestond uit zijn persoonlijke vrienden. Ook de financiën werden voortaan opgesplitst: de aloude staats- of senaatskas (het aerarium) werd gescheiden van de keizerlijke kas (de fiscus Caesaris).

 

Het spreekt vanzelf dat een alleenheerser zijn macht pas echt kan handhaven als hij beschikt over een trouw en toegewijd leger. Het is precies bij het begin van het keizerrijk dat het Romeinse leger definitief veranderde in een beroepsleger, dat werd bevolkt door vrijwilligers (en niet langer door dienstplichtigen). Die beroepssoldaten en veteranen vormden als het ware de clientela van de keizer, die aldus hun patronus werd.

 

Wat het bestuur van de provincies betreft, had Italië lange tijd een bevoorrechte positie. Egypte, dat van groot belang was voor de voedselvoorziening van Rome, was in handen van de praefectus Aegypti (geen senator, maar een ridder). In de overige provincies werd alles meestal gelaten in de toestand van voor de verovering. Er stond een Romeinse gouverneur aan het hoofd van iedere provincie, maar voor de rest werd het bestuur overgelaten aan de lokale autoriteiten. Wel werden er door Rome in de provincies steden gesticht (civitates, coloniae en municipia).

 

 

Sociale hiërarchie

 

Bij de overgang van republiek naar keizerrijk veranderde er op sociaal gebied in essentie niet zoveel. Aan de top van de sociale piramide stond echter voortaan de keizer. Daaronder werd de bevolking ingedeeld in twee sociale klassen: een hogere (honestiores) en een lagere (humiliores).

 

Tot de honestiores behoorde vooreerst de ordo senatorius (senatorenstand), die zich op de sociale ladder net onder de keizerlijke familie bevond. Toegangsvoorwaarden voor deze stand waren een juiste geboorte en een minimumvermogen van 1 miljoen sestertiën. Tevens diende men zich te houden aan bepaalde gedragsregels. Zonen van senatoren werden automatisch in de ordo opgenomen, als zij tenminste voldeden aan de gestelde eisen. De ordo senatorius bestond uit zowat 2 000 leden (de senaat zelf telde er 600).

 

Ook de ordo equester (ridderstand) maakte deel uit van de honestiores. Bij deze stand was de afkomst van geen belang, maar drie generaties vrije geboorte en een minimumvermogen van 400 000 sestertiën waren toch noodzakelijk. Ook ridders dienden zich te houden aan bepaalde gedragsregels. De ordo equester telde vermoedelijk enkele tienduizenden leden.

 

De derde categorie binnen de honestiores werd gevormd door de ordines decurionum. Deze decuriones waren leden van de stadsraad (curia) in de steden buiten Rome. Om tot deze stand te behoren moest men van goede geboorte zijn (vrijgelatenen werden niet toegelaten, hun zonen wel), een zekere mate van rijkdom bezitten (bekende criteria gaan van 20 000 tot 100 000 sestertiën) en moreel in orde zijn (geen 'strafblad' hebben en een waardig beroep uitoefenen). In heel het rijk zouden er naar schatting meer dan 200 000 decuriones geweest zijn.

 

Deze drie sociale standen vormden echter zeker niet het grootste deel van de bevolking: samen met hun vrouwen en kinderen zouden zij slechts 1 % van de totale populatie hebben uitgemaakt. In aantal veruit het grootst waren de humiliores. Bij hen maakte men ten eerste een onderscheid tussen burgers (cives) en niet-burgers (peregrini), hoewel het burgerrecht door de grote verbreiding geleidelijk aan zijn betekenis verloor. Belangrijker is de verdeling in vrijgeborenen (ingenui), vrijgelatenen (liberti) en onvrijen of slaven (servi).

 

Men mag aannemen dat ongeveer een derde van de bevolking onvrij was, hoewel in sommige streken van het rijk slavernij nagenoeg niet voorkwam. De slavernij verdween dus niet, maar de omvang ervan nam in de loop van het keizerrijk toch af. Slaven konden tewerkgesteld worden bij een familie (waar zij meestal goed werden behandeld en zelfs konden hopen op vrijlating) of in de mijnen (waar hun een niet zo lang – en nog minder gelukkig – leven was beschoren).

 

Zoals gezegd konden slaven vaak hopen op een vrijlating (manumissio), waarna zij behoorden tot de (zeer grote) groep van de liberti. Omdat zij soms als handelaar of bankier ervaring hadden opgedaan en geld hadden verdiend, konden zij zich een stuk grond aanschaffen en het relatief goed hebben. Enkel hun afkomst verhinderde de opname in de ordo decurionum. Om aan dit probleem een mouw te passen gaf men hun een functie in het college van de sodales Augustales, die op stedelijk niveau de keizercultus onderhielden. Sommige liberti maakten echter deel uit van het keizerlijke hof (familia Caesaris) en moesten in rijkdom niet onderdoen voor de hoogste maatschappelijke klasse.

 

 

Economisch leven

 

Ondanks het feit dat Augustus na een lange periode van bloedige burgeroorlogen eindelijk de vrede en rust in het Romeinse Rijk had hersteld, kende de economie geen spectaculaire groei. Alles bleef min of meer zoals het was ten tijde van de republiek: de rijken werden nog rijker en de armen bleven minstens even arm.

 

De belangrijkste sector van de economie was nog steeds de landbouw, die hoofdzakelijk twee vormen kon aannemen. Enerzijds waren er de uitgestrekte domeinen (latifundia) van de grootgrondbezitters, waar slaven vooral werden tewerkgesteld in de wijnbouw en de olijventeelt. Bij die agrarische activiteiten dacht men er niet aan de technieken te moderniseren: om de productie te verhogen dreef men het aantal slaven op. Deze grootgrondbezitters konden hun gronden ook verhuren aan pachters (coloni). Dat brengt ons meteen bij de tweede categorie: de kleine boeren. Zij moesten het onderspit delven in de concurrentiestrijd met de goedkope werkkrachten en de weidse landerijen van de grootgrondbezitters. Niettemin verdwenen zij nooit helemaal.

 

Naast de landbouw was er ook nog een zekere vorm van nijverheid, maar van economie in de huidige zin van het woord kan men niet spreken. Die activiteiten bleven vooral beperkt tot ambachtelijke producten op kleine schaal; het ging hoofdzakelijk om huisnijverheid. Echte industriële productie trof men wel aan bij benodigdheden voor het leger, potten- en steenbakkerijen en dergelijke.

 

Om Rome, dat in het vroege keizerrijk was uitgegroeid tot een wereldstad met mogelijk ongeveer 1 miljoen inwoners, van het nodige voedsel te voorzien, werden ook de Romeinse provincies ingeschakeld. Zij vormden als het ware de graanschuur van Italië. Om die immense aanvoer van graan en van voedsel in het algemeen goed te laten verlopen bestond er een ambtelijk apparaat dat werd geleid door de praefectus annonae. Je kan Rome in die tijd dan ook omschrijven als een bodemloze put waarin bergen voedsel, die vanuit op grote afstand gelegen productiegebieden moesten worden aangevoerd, verdwenen.

 

Wat anderzijds de handel betreft, kan men wel spreken van een positieve ontwikkeling. De Romeinen hadden voor militaire doeleinden een omvangrijk wegennet aangelegd, maar daarvan werd ook geprofiteerd door de handel, die plaatsvond tussen alle delen van het reusachtige Romeinse Rijk. Zoals gezegd ging het in de eerste plaats om vervoer van voedsel vanuit de provincies naar Italië en Rome, maar ook allerlei luxeartikelen (vooral uit het Verre Oosten) behoorden tot de handelswaren. Het spreekt vanzelf dat Italië in ruil een aantal van haar eigen producten (vooral edele metalen) uitvoerde.

 

 

Literatuur en beeldende kunsten

 

Onder keizer Augustus kende de Latijnse literatuur ongetwijfeld haar grootste bloei, o.a. door de steun die de schrijvers genoten van Augustus' raadsman Gaius Cilnius Maecenas. Het is dan ook niet verwonderlijk dat die auteurs in hun werk hun dank betuigden aan de keizer. Dat belette echter niet dat hun oeuvre van hoogstaande kwaliteit was (en niet alleen maar propaganda voor het bewind).

 

De beroemdste en belangrijkste auteur uit deze periode – en misschien wel uit de hele Latijnse literatuur – is Publius Vergilius Maro (70-19 v.C.), die bekend is om twee kleinere werken, de Bucolica en de Georgica, maar vooral om zijn hoofdwerk, de Aeneis, een groots opgezet epos waarin hij het verleden van Rome verheerlijkt. Andere grote dichters uit deze periode zijn Quintus Horatius Flaccus (65-8 v.C.), die o.a. satiren, epoden en oden schreef, en Publius Ovidius Naso (43 v.C. - 17 n.C.), wiens belangrijkste werk de Metamorphoses is. De voornaamste vertegenwoordigers van de lyrische poëzie waren Albius Tibullus (ca. 55-19 v.C.) en Sextus Propertius (ca. 50-15 v.C.).

 

Wat de prozaliteratuur betreft, wordt de kroon gespannen door de geschiedschrijver Titus Livius (59 v.C. - 17 n.C.), die in zijn 142 boeken Ab urbe condita, een monumentaal geschrift waaraan hij 40 jaar werkte, een overzicht geeft van de Romeinse geschiedenis vanaf de stichting van Rome (753 v.C.) tot het jaar 9 n.C.

 

De literatuur onder de andere Julisch-Claudische keizers was niet van dezelfde hoogstaande kwaliteit, maar telde toch nog een aantal bekende namen. Een bloeiend genre in die periode was de satire, beoefend door dichters als Aulus Persius Flaccus (34-62 n.C.), Marcus Valerius Martialis (ca. 40-104 n.C.) en Decimus Junius Juvenalis (ca. 60-140 n.C.). Belangrijk waren ook de encyclopedische Naturalis historia van Gaius Plinius Secundus de Oudere (23-79 n.C.) en de brieven van zijn neef Gaius Plinius Caecilius Secundus de Jongere (ca. 61-113 n.C.). Op historiografisch gebied zijn twee auteurs te vermelden: Publius Cornelius Tacitus (ca. 56-118 n.C.) en Gaius Suetonius Tranquillus (ca. 70-130 n.C.).

 

Keizer Augustus kon er terecht op bogen dat hij Rome van een bakstenen tot een marmeren stad had gemaakt. Hij liet de stad verfraaien met amfitheaters, aquaducten, basilieken, bibliotheken, circussen, fonteinen, fora, riolen, tempels, theaters, thermen, triomfbogen enz. Zijn opvolgers zetten zijn bouwpolitiek in meerdere of mindere mate verder.

 

De beeldhouwkunst was niet even luisterrijk als de bouwkunst. Men stelde ze in de eerste plaats ten dienste van het bewind. Zo werden er vooral portretten van de heersers gemaakt. Alle keizers werden echter op bijna dezelfde stereotiepe wijze afgebeeld.

 

De schilderkunst was in dit opzicht veel interessanter, omdat die niet was gebonden aan de strikte stijl van de staatsportretten. Ze komt vooral voor in de vorm van wandschilderkunst. Die kende een grote verscheidenheid van onderwerpen, maar landschappen, stillevens, mythologische scènes en voorstellingen uit het dagelijks leven kwamen het meest voor.

 

 

Filosofie en religie

 

In de keizertijd veranderde er ook op religieus gebied eigenlijk niet zoveel: de aloude staatsreligie, met haar verering van de traditionele goden, bleef bestaan, alsook de oosterse culten (Asclepius, Isis, Cybele, Mithras), die een persoonlijker contact tussen de mens en de godheid moesten verzorgen. Een nieuw fenomeen was de keizercultus. Bij de filosofieën hadden vooral het stoïcisme en het neopythagorisme succes.

 

Veel belangrijker is echter de opkomst van een geheel nieuwe vorm van religie: het christendom. De christenen waren de volgelingen van een zekere Jezus, die werd geboren te Bethlehem ca. 7/6 v.C. en die door de Romeinse procurator Pontius Pilatus in 30 n.C. werd terechtgesteld als potentiële oproerkraaier. Ook de christenen zelf werden beschouwd als gevaarlijk voor de staatsveiligheid, omdat zij weigerden offers te brengen aan de traditionele Romeinse goden en de Romeinse keizer te eren. Hun weerspannigheid leidde dan ook vaak tot christenvervolgingen, die aanvankelijk echter zeker niet massaal en systematisch waren. Christenen die weigerden hun geloof af te zweren, stierven de marteldood, wat misschien precies het succes van die nieuwe godsdienst mee heeft bepaald.