|
startpagina | rubriekoverzicht
> geschiedenis |
Keizer
Claudius
Tiberius Claudius Drusus werd geboren op 1 augustus 10 v.C.
te Lugdunum (Lyon) als jongste zoon uit het huwelijk (16 v.C.) van Nero
Claudius Drusus (de broer van keizer Tiberius) en Antonia de Jongere (een
dochter van de triumvir
Marcus Antonius en van Augustus' zuster Octavia). Op die manier was hij de
achterneef van keizer Augustus. Toen zijn broer Germanicus, oorspronkelijk
Tiberius Claudius Nero genaamd, in 4 n.C. door Tiberius werd geadopteerd en
daarmee overging van het Claudische naar het Julische geslacht, ruilde Claudius
zijn eigen bijnaam (Drusus) met die van zijn broer (Nero). Voortaan heette hij
dus (voluit) Tiberius Claudius Drusi Germanici filius Nero Germanicus, dikwijls
vereenvoudigd tot Tiberius Claudius Nero Germanicus (ook wel een of meer van
deze namen).
In zijn gezinsleven had Claudius maar weinig geluk. Op
jeugdige leeftijd werd hij verloofd met Aemilia Lepida, een achterkleindochter
van Augustus, maar die verloving werd verbroken toen haar ouders werden
veroordeeld (8 n.C.). Daarop verkreeg hij de hand van Livia Medullina Camilla,
afkomstig uit de beroemde familie van de Furii Camilli, maar zij stierf op de
dag van het geplande huwelijk. Claudius trouwde dan toch voor de eerste maal
(ca. 9/10 n.C.) met Plautia Urgulanilla, die hem twee kinderen schonk: Drusus
en Claudia (beiden overleden op jonge leeftijd). Hij liet zich echter van haar
scheiden, omdat zij het niet al te nauw nam met de huwelijkstrouw. Claudius'
tweede echtgenote (voor 28 n.C.) was Aelia Paetina, bij wie hij vader werd van
Claudia Antonia. Ook dit huwelijk liep uit op een echtscheiding omwille van
'onbeduidende ergernissen'. In 38/39 n.C. trouwde Claudius dan met Valeria
Messalina, van wie hij twee kinderen had: Claudia Octavia (die later zou
trouwen met – en vermoord worden door – keizer Nero) en Tiberius Claudius
Caesar Germanicus Britannicus (die na de dood van zijn vader werd vermoord). In
oktober 48 n.C. werd zij terechtgesteld omwille van haar seksuele uitspattingen
(zij was nl. publiekelijk getrouwd met haar minnaar). Kort daarop (begin 49
n.C.) trouwde Claudius voor de vierde en laatste keer met Julia Agrippina de
Jongere (de oudste dochter van Claudius' broer Germanicus en op die manier
Claudius' bloedeigen nicht).
Claudius kreeg (waarschijnlijk) op de normale leeftijd (14
jaar) de toga virilis, een
gebeurtenis die echter voorbijging zonder de gebruikelijke luister. Kort daarna
organiseerde hij samen met zijn broer Germanicus gladiatorenspelen ter ere van
zijn overleden vader Drusus. Toch raakte Claudius' politieke carrière maar
moeilijk van de grond. Hoewel Augustus had begrepen dat Claudius helemaal niet
zo dom was als hij eruitzag, liet hij hem geen enkel openbaar ambt bekleden,
behalve dat van augur (een
soort priester). Bij zijn dood (14 n.C.) werd Claudius wel lid van de sodales Augustales, een college dat de
cultus van de overleden keizer in stand hield. Ondanks zijn uitdrukkelijk
verzoek om een ernstige taak werd Claudius ook onder keizer Tiberius zelfs nog
niet in de senaat opgenomen, hoewel hij op het einde van diens regering (37
n.C.) reeds 46 jaar oud was. Wel verleende Tiberius hem de ornamenta consularia, eerder een
eretitel dan een reële functie. Het was pas tijdens de regering van keizer
Caligula dat Claudius aan zijn werkelijke politieke loopbaan kon beginnen.
Samen met zijn neef bekleedde hij van 1 juli tot 31 augustus 37 n.C. het
consulaat (hij was meer bepaald consul
suffectus). Bovendien werd hij priester van Jupiter Latiaris, onder
welke naam Caligula zich liet vereren. Om tot dit college toe te treden moest
hij maar liefst 8 miljoen sestertiën betalen, wat meteen Claudius' persoonlijk
bankroet veroorzaakte. Daarnaast was hij driemaal (in 14, 31 en 36 n.C.)
vertegenwoordiger van de ridderstand (waartoe hij zelf behoorde) tegenover de
consuls of de princeps.
Omdat Claudius door zijn familie angstvallig werd
afgehouden van het politieke leven, kon hij zich reeds vroeg bezighouden met
geschiedenis en literatuur. Op aanraden van Titus Livius en met de steun van
Sulpicius Flavus begon Claudius dan ook op jonge leeftijd met
geschiedschrijving. Al zijn werken zijn evenwel verloren gegaan, waardoor het
heel moeilijk – zo niet onmogelijk – is ons een juist beeld te vormen van de
inhoud ervan. Niettemin wordt Claudius door Plinius de Oudere op verschillende
plaatsen in zijn Naturalis historia
vermeld als bron en bovendien gerekend bij de honderd meest geleerde auteurs
van zijn tijd.
Op 24 januari 41 n.C. werd Claudius geheel onverwacht
keizer. Hij kon de moord op Caligula en zijn familie uiteraard niet ongestraft
laten. Daarom werden – als voorbeeld voor de toekomst – Cassius Chaerea en zijn
aanhangers ter dood veroordeeld (de betrokken senatoren werden gespaard). Voor
het overige kondigde hij een algemene amnestie af voor alles wat tijdens de
eerste twee turbulente dagen van zijn regering was gezegd of gedaan. Pas 30
dagen na zijn troonsbestijging verscheen Claudius voor het eerst in de senaat,
vergezeld door de praefecti praetorio
en de tribuni militum. Hij
maakte er daarbij geen geheim van dat dit was bedoeld als veiligheidsmaatregel
(Claudius had door de moord op Caligula blijkbaar zijn lesje geleerd). Zelfs op
vergaderingen of banketten bij hem thuis moest iedereen die in zijn buurt kwam,
gefouilleerd worden.
Claudius begon zijn regering met enkele maatregelen en
verwezenlijkingen van zijn voorganger ongedaan te maken: ballingen werden
teruggeroepen, geconfisceerde eigendommen werden teruggegeven, bezwarende
documenten werden vernietigd enz. Hij besteedde zeer veel aandacht aan het
bestuur van het rijk: de keizerlijke bureaucratie werd gecentraliseerd en de financiën
gereorganiseerd. Een aantal bevoegdheden werden ontnomen aan de senaat en
gingen naar de equites, wier cursus honorum bovendien werd hervormd.
De traditionele magistraturen bleven grotendeels bestaan, maar toch werden hun
soms nieuwe bevoegdheden toebedeeld en werden er een aantal nieuwe ambten
gecreëerd. Wat Claudius' relatie met het leger betreft, kan men opmerken dat
hij, ondanks het feit dat hij niet was opgegroeid in een militaire atmosfeer,
toch heel populair was bij zijn troepen.
Bijzondere aandacht verdient de relatie tussen Claudius en
de senaat. Sinds de instelling van het principaat was die immers vervallen tot
een vergadering jaknikkers, die akkoord gingen met zowat alles wat door de
keizer werd voorgesteld. Het gevolg daarvan was dan ook dat de senatoren hoe
langer hoe minder geïnteresseerd waren in staatszaken en vaker afwezig bleven
van de vergaderingen. Claudius wilde van de senaat echter opnieuw een goed
functionerend bestuursorgaan maken dat zijn taak weer ernstig nam. Daarom werd de
aanwezigheid op de bijeenkomsten verplicht, werden de omgangsvormen
vereenvoudigd en werd het aantal vakantiedagen ingekrompen. Ook werden aan de
senaat een aantal bevoegdheden en taken ontnomen, wat hem zeker niet populair
maakte. Tijdens zijn censoraat (april 47 - oktober 48 n.C.) spoorde Claudius
alle senatoren aan bij zichzelf na te gaan of zij het ambt van senator nog
waardig waren. Degenen die niet vrijwillig ontslag namen, werden daartoe
gedwongen door de keizer. Vervolgens organiseerde hij een lectio senatus, waarbij de ontslagen
leden werden vervangen door andere. Sommige van die nieuwe senatoren waren
zelfs afkomstig van buiten Italië, wat bij de traditionele Romeinen veel kwaad
bloed zette.
Op religieus vlak kan men de politiek van Claudius vergelijken
met die van Augustus en Tiberius. Vooreerst wilde hij geen persoonlijke cultus,
omdat hij van mening was dat goddelijke eer enkel aan de goden toekomt. Hij
wilde vooral de traditionele godsdienstige waarden en gebruiken herstellen en
trad dan ook vaak op tegen vreemde culten.
Tot zover het centrale bestuur van het Romeinse Rijk.
Onder Claudius' regering vonden er ook een aantal tussenkomsten plaats in de
Romeinse provincies, zoals Mauretanië, Germanië, Parthië, Armenië, Lycië,
Cilicië enz. Veel belangrijker was echter de verovering van Brittannië (een
poging om er vaste voet aan land te krijgen was reeds ondernomen door Caesar en
Caligula, maar zonder het verhoopte resultaat). In 43 n.C. staken 4 legioenen
het Noordzeekanaal over. Dit leger – samen met de hulptroepen zowat 40.000 man
sterk – stond onder de leiding van Aulus Plautius. Na een eerste treffen
ondernamen de Romeinen voorlopig niets meer, maar wachtten bij de Thames op de
komst van de keizer zelf. Die nam gedurende 16 dagen het opperbevel van het
leger over. Onder zijn commando veroverden de Romeinen Camulodunum
(Colchester), waarna zij in verschillende richtingen verder trokken en nog een
aantal naburige stammen onderwierpen. Na een glansrijke afsluiting van zijn
veldtocht keerde Claudius begin 44 n.C. naar Rome terug. Daar vierde hij zijn
triomf, ontving van de senaat voor hem en zijn zoon de bijnaam Britannicus en
kreeg een triomfboog op het Marsveld. Aan de soldaten die in Brittannië hadden
gestreden, verleende Claudius het burgerrecht en het recht om officieel te
trouwen (privilegia maritorum).
Britannia werd ingericht als een provincie onder het bestuur van een legatus Augusti pro praetore (de eerste
was Aulus Plautius, tot 47 n.C.).
De romanisatie van veroverde gebieden werd aangemoedigd
door de toekenning van het Romeinse burgerrecht, door de herbevolking van oude
steden met kolonisten, door de stichting van nieuwe kolonies en door het
verlenen van een stedelijk statuut aan reeds bestaande nederzettingen. Dat
gebeurde in alle delen van het Romeinse Rijk: Brittannië, Cappadocië, Dalmatië,
Gallië, Italië, Mauretanië, Pannonië, Syrië, Thracië enz.
Ondanks Claudius' bijzondere interesse voor het religieuze
leven in Rome kwamen onder zijn bewind toch vooral profane bouwwerken tot
stand. Daarbij had hij de grootste belangstelling voor de voedselbevoorrading,
de wegenbouw en de watervoorziening. Onder het vroege keizerrijk was Rome
uitgegroeid tot een gigantische wereldstad, die bijgevolg een enorme behoefte
had aan voedsel. Omdat de Italische gronden op dat vlak niet toereikend waren,
moest een groot deel daarvan overzee worden aangevoerd vanuit de provincies.
Dat was niet zonder enige problemen of gevaren. Reeds Caesar had dat probleem
opgemerkt en een plan laten uitwerken om het op te lossen, maar door zijn dood
was het nooit tot de uitvoering ervan gekomen. Claudius, die zeer begaan was
met de voedselbevoorrading van Rome, haalde daarom Caesars ideeën vanonder het
stof en gaf aan zijn ingenieurs de opdracht in Ostia een nieuwe haven aan te
leggen, en wel op zo'n manier dat de schepen het hele jaar door veilig op de
Italische kust konden landen. In 42 n.C. werd met de uitvoering van die plannen
begonnen, een bijzonder zware en omvangrijke onderneming. Het werk bestond erin
dat een drietal kilometer ten noorden van de oude haven een volledig nieuw
havencomplex uit de grond werd gestampt dat met de Tiber was verbonden door een
kanaal – waardoor het aangevoerde voedsel rechtstreeks naar Rome kon worden
gebracht – en dat beschikte over dammen, een vuurtoren, graanschuren en
handelskantoren. Door de grote bloei van haar haven werd ook de stad Ostia van
steeds groter belang. Door de geweldige omvang van het project werden de werken
evenwel pas beëindigd onder Claudius' opvolger Nero.
Daarnaast werd in heel het keizerrijk het wegennet
versterkt en werden bestaande wegen hersteld. De nadruk lag daarbij vooral op
de provincies, want Claudius had als hoofdbedoeling de waardering van de
provincies en de gelijkstelling van Romeinse stedelingen en provinciebewoners,
om op die manier het proces van de romanisatie te verwezenlijken.
Zoals gezegd ging de aandacht van Claudius op bouwkundig
gebied ook uit naar de watervoorziening. Hij kwam aan het probleem van de
ontoereikendheid van de bestaande wateraanvoer tegemoet door de bouw van twee
nieuwe aquaducten – waartoe in 38 n.C. reeds door Caligula opdracht was
gegeven, maar die bij Claudius' troonsbestijging in 41 n.C. nog verre van
voltooid waren – tot een goed einde te brengen: de aqua Claudia en de Anio
Novus (in gebruik genomen op 1 augustus 52 n.C.). Tegelijk werd de curator aquarum voortaan bijgestaan
door een procurator, die aan
het hoofd stond van de 460 slaven die moesten instaan voor de werking en het
onderhoud van de watervoorzieningsinstallaties in Rome. Ten slotte werd de door
Caligula verwaarloosde aqua Virgo
hersteld (44-45 n.C.).
Uit het voorgaande mag reeds duidelijk geworden zijn dat
Claudius de stad Rome een warm hart toedroeg. Hij was in het bijzonder begaan
met de voedsel- en watervoorziening van de Romeinse hoofdstad, getuige daarvan
de aanleg van een nieuwe haven in Ostia en de bouw of herstelling van
aquaducten. Dat vereiste uiteraard ook een goede stedelijke organisatie. Zijn
principaat werd op dat vlak gekenmerkt door een intense bouwkundige en
organisatorische activiteit die men niet meer had gekend sinds de tijd van
Augustus. Ondanks Claudius' religieuze interesses bleef zijn godsdienstige
bouwpolitiek toch heel beperkt: er werden enkel een aantal altaren opgericht,
zoals de Ara Pietatis Augustae
en de Ara Iovis Depulsoris.
Hetzelfde gold voor gebouwen met spektakeldoeleinden: alleen de Circus Maximus werd verbeterd en het
theater van Pompeius gerestaureerd. Anders was het gesteld met
herdenkingsbouwwerken, waarvoor Claudius een grote interesse vertoonde. Voor de
keizer zelf werden drie triomfbogen opgetrokken (in 41, 43 en 51 n.C.).
Ondanks al de goede bedoelingen die Claudius ongetwijfeld
had, was niet iedereen het eens met de keuze van Claudius als keizer en met
zijn regeringsdaden. Hij kreeg dan ook verschillende keren af te rekenen met
een opstand of een samenzwering. De eerste en belangrijkste vond plaats toen
hij nog maar pas keizer was geworden. Lucius Arruntius Camillus Scribonianus,
de gouverneur van Dalmatië, erkende de autoriteit van Claudius niet (42 n.C.).
Omdat hij zichzelf echter niet wilde of durfde keizer te noemen, verkondigde
hij de republiek te zullen herstellen. In tegenstelling met wat hij had
verwacht, werd dat niet op gejuich onthaald door de twee legioenen waarover hij
het bevel voerde, want reeds na een vijftal dagen werd hij door zijn troepen in
de steek gelaten. Hij vluchtte daarop naar het eiland Issa, waar hij werd
gedood door een soldaat of zelfmoord pleegde. Nadien werden er nog een aantal
samenzweringen tegen Claudius op touw gezet. De belangrijkste ervan waren die
van een ridder (43 n.C.), van de senatoren Asinius Gallus en Taurus Statilius
Corvinus (46 n.C.), van Gaius Silius en Valeria Messalina (48 n.C.) en van
Lucius Arruntius Furius Camillus Scribonianus (52 n.C.). Het gevolg van die
samenzweringen was dat Claudius, die van nature al vreesachtig of zelfs
paranoïde was, maar liefst 35 senatoren en 200 à 300 ridders ter dood liet
brengen.
Claudius overleed op 13 oktober 54 n.C. Meer dan
waarschijnlijk werd hij vermoord door zijn eigen vrouw Agrippina, die op die
manier de troon veilig stelde voor haar zoon Nero (die zij had uit een eerder
huwelijk en die Claudius op haar aandringen had geadopteerd). Na zijn dood werd
hij vergoddelijkt.